Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-05-15
ECLI:NL:RBMNE:2025:2451
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,504 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6433
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R.A. van Dijk),
en
De gemeenteraad van de gemeente Druten, verweerder
(gemachtigde: mr. J.W.M. Hagelaars).
Partijen worden hierna eiser en de raad genoemd.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over vestiging van een voorkeursrecht op agrarische percelen op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) in de gemeente Druten.
1.1.
Met het besluit van 22 februari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Druten de percelen kadastraal bekend als [naam] , sectie [letter] , nummers [nummer] , [nummer] en [nummer] in [plaats] in Druten voorlopig aangewezen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van de Wvg van toepassing zijn. Eiser is pachter van perceel [nummer] . Ook perceel [nummer] is bij eiser in gebruik.
1.2.
Bij besluit van 28 april 2022 heeft de raad het voorkeursrecht definitief gevestigd op de hiervoor genoemde percelen.
1.3.
Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met de beslissing op bezwaar van 7 juni 2023 (het bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.
1.4.
Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de raad, bijgestaan door mr. C. Keller.
Geschil
2. De rechtbank beoordeelt of de raad het voorkeursrecht op de percelen heeft mogen vestigen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Beoordeling
3. Op 1 januari 2024 is de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat deze procedure voor die datum is gestart is in deze zaak de Wvg nog van toepassing.
4. De rechtbank overweegt dat het bij de vestiging van een voorkeursrecht om een discretionaire bevoegdheid van de raad gaat. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dient het al dan niet uitoefenen van die bevoegdheid, indien aan de wettelijke voorwaarden voor de toepassing daarvan is voldaan, door de rechter terughoudend te worden getoetst.
5. Eiser is het niet eens met een wijziging van de bestemming van de gronden die hij gebruikt voor het kweken van bomen. Hij heeft op de gronden ten behoeve van de houtproductie snelgroeiende Paulownia-bomen aangeplant voor een periode van 70 jaar, waarvan hij elke zeven tot acht jaar kan kappen. Met betrekking tot de percelen [nummer] en [nummer] heeft hij een overeenkomst tot zelfrealisatie gesloten, maar daaraan kan pas uitvoering geven na medewerking van de gemeente. Eiser vindt dat de gemeente misbruik van recht maakt door het voorkeursrecht te gebruiken als pressiemiddel. Eiser klaagt verder over een gebrek aan contact met de gemeente.
6. Het vestigen van een voorkeursrecht betekent niet dat zelfrealisatie van de grondeigenaar zonder vervreemding van de percelen niet mogelijk is. Uit wat eiser aanvoert begrijpt de rechtbank dat eiser het huidige gebruik van de percelen voor het kweken van bomen wil voortzetten. De vestiging van een voorkeursrecht staat daaraan echter niet in de weg. Het enige gevolg is dat de eigenaar bij het overgaan tot vervreemding van de percelen eerst de gemeente in de gelegenheid moet stellen de gronden te kopen.
7. Deze procedure gaat niet over een wijziging van de bestemming van de gronden die eiser gebruikt. De beroepsgrond die eiser daarover aanvoert slaagt dan ook niet.
8. Op de zitting heeft eiser aangevoerd dat in het bestreden besluit een grondslag voor het vestigen van het voorkeursrecht ontbreekt. De raad heeft op de zitting bezwaar gemaakt tegen het voor het eerst op de zitting aanvoeren van deze beroepsgrond. De rechtbank is het met de raad eens dat het aanvoeren van deze beroepsgrond op de zitting in strijd is met de goede procesorde. Eiser had dit veel eerder kunnen aanvoeren. Dat zelfde geldt voor wat eiser op de zitting heeft aangevoerd over het ontbreken van de naam van beperkt gerechtigden in het aanwijzingsbesluit. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat deze gronden aansluiten bij wat in het pro forma beroepsschrift van 19 juli 2023 is gesteld. Daarin is het standpunt ingenomen dat het bestreden besluit in strijd is met de Wvg, de Algemene wet bestuursrecht en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dat is een heel algemeen geformuleerde standpunt, dat niet kan worden aangemerkt als een concrete beroepsgrond. De rechtbank laat deze beroepsgronden dan ook buiten beschouwing.
9. De rechtbank overweegt verder dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt waarom sprake zou zijn van misbruik van recht door het vestigen van het voorkeursrecht op de percelen [plaats] en [plaats] . Wat eiser aanvoert over het (ontbrekende) contact met de gemeente kan, wat daar ook van zij, niet tot een gegrond beroep leiden.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.1, eerste lid, van de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet.
Bijvoorbeeld de uitspraak van 22 oktober 2014 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2014:3786.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6433
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R.A. van Dijk),
en
De gemeenteraad van de gemeente Druten, verweerder
(gemachtigde: mr. J.W.M. Hagelaars).
Partijen worden hierna eiser en de raad genoemd.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over vestiging van een voorkeursrecht op agrarische percelen op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) in de gemeente Druten.
1.1.
Met het besluit van 22 februari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Druten de percelen kadastraal bekend als [naam] , sectie [letter] , nummers [nummer] , [nummer] en [nummer] in [plaats] in Druten voorlopig aangewezen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van de Wvg van toepassing zijn. Eiser is pachter van perceel [nummer] . Ook perceel [nummer] is bij eiser in gebruik.
1.2.
Bij besluit van 28 april 2022 heeft de raad het voorkeursrecht definitief gevestigd op de hiervoor genoemde percelen.
1.3.
Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met de beslissing op bezwaar van 7 juni 2023 (het bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.
1.4.
Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de raad, bijgestaan door mr. C. Keller.
Geschil
2. De rechtbank beoordeelt of de raad het voorkeursrecht op de percelen heeft mogen vestigen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Beoordeling
3. Op 1 januari 2024 is de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat deze procedure voor die datum is gestart is in deze zaak de Wvg nog van toepassing.
4. De rechtbank overweegt dat het bij de vestiging van een voorkeursrecht om een discretionaire bevoegdheid van de raad gaat. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dient het al dan niet uitoefenen van die bevoegdheid, indien aan de wettelijke voorwaarden voor de toepassing daarvan is voldaan, door de rechter terughoudend te worden getoetst.
5. Eiser is het niet eens met een wijziging van de bestemming van de gronden die hij gebruikt voor het kweken van bomen. Hij heeft op de gronden ten behoeve van de houtproductie snelgroeiende Paulownia-bomen aangeplant voor een periode van 70 jaar, waarvan hij elke zeven tot acht jaar kan kappen. Met betrekking tot de percelen [nummer] en [nummer] heeft hij een overeenkomst tot zelfrealisatie gesloten, maar daaraan kan pas uitvoering geven na medewerking van de gemeente. Eiser vindt dat de gemeente misbruik van recht maakt door het voorkeursrecht te gebruiken als pressiemiddel. Eiser klaagt verder over een gebrek aan contact met de gemeente.
6. Het vestigen van een voorkeursrecht betekent niet dat zelfrealisatie van de grondeigenaar zonder vervreemding van de percelen niet mogelijk is. Uit wat eiser aanvoert begrijpt de rechtbank dat eiser het huidige gebruik van de percelen voor het kweken van bomen wil voortzetten. De vestiging van een voorkeursrecht staat daaraan echter niet in de weg. Het enige gevolg is dat de eigenaar bij het overgaan tot vervreemding van de percelen eerst de gemeente in de gelegenheid moet stellen de gronden te kopen.
7. Deze procedure gaat niet over een wijziging van de bestemming van de gronden die eiser gebruikt. De beroepsgrond die eiser daarover aanvoert slaagt dan ook niet.
8. Op de zitting heeft eiser aangevoerd dat in het bestreden besluit een grondslag voor het vestigen van het voorkeursrecht ontbreekt. De raad heeft op de zitting bezwaar gemaakt tegen het voor het eerst op de zitting aanvoeren van deze beroepsgrond. De rechtbank is het met de raad eens dat het aanvoeren van deze beroepsgrond op de zitting in strijd is met de goede procesorde. Eiser had dit veel eerder kunnen aanvoeren. Dat zelfde geldt voor wat eiser op de zitting heeft aangevoerd over het ontbreken van de naam van beperkt gerechtigden in het aanwijzingsbesluit. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat deze gronden aansluiten bij wat in het pro forma beroepsschrift van 19 juli 2023 is gesteld. Daarin is het standpunt ingenomen dat het bestreden besluit in strijd is met de Wvg, de Algemene wet bestuursrecht en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dat is een heel algemeen geformuleerde standpunt, dat niet kan worden aangemerkt als een concrete beroepsgrond. De rechtbank laat deze beroepsgronden dan ook buiten beschouwing.
9. De rechtbank overweegt verder dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt waarom sprake zou zijn van misbruik van recht door het vestigen van het voorkeursrecht op de percelen [plaats] en [plaats] . Wat eiser aanvoert over het (ontbrekende) contact met de gemeente kan, wat daar ook van zij, niet tot een gegrond beroep leiden.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.1, eerste lid, van de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet.
Bijvoorbeeld de uitspraak van 22 oktober 2014 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2014:3786.