Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-02-05
ECLI:NL:RBMNE:2025:2441
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,868 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11244076 \ UC EXPL 24-5188 MvdH/40201
Vonnis van 5 februari 2025
in de zaak van
VERENIGING VAN EIGENAARS FLATGEBOUW [adres 1] (EVEN NUMMERS), [adres 2] (ONEVEN NUMMERS), [adres 3] (ONEVEN NUMMERS) TE [plaats],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de VvE,
gemachtigde: Rijssenbeek Advocaten,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
wonende te [woonplaats] ,2. [gedaagde sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
gemachtigde: mr. Ö. Kenç.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie
- de akte overlegging producties tevens wijziging van eis van de VvE- de conclusie van antwoord in reconventie
- de akte overlegging productie van de VvE- de mondelinge behandeling van 16 januari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald, dat heden bij vervroeging wordt uitgesproken.
2De kern van de zaak
2.1.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn eigenaar van het appartement aan de [adres 4] in [plaats] . Daarom zijn zij lid van de VvE.
2.2.
De VvE eist in conventie in deze zaak dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aan haar een bedrag van € 20.388,49 aan onbetaalde (voorschot)bijdragen over de periode oktober 2020 tot en met januari 2025 betalen. Volgens de VvE zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] deze (voorschot)bijdragen verschuldigd omdat die conform de geldende regels zijn vastgesteld bij diverse vergaderbesluiten van de VvE. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn het niet eens met de hoogte van de (voorschot)bijdragen waaronder ook de stookkosten vallen. Volgens hen kunnen de stookkosten niet kloppen omdat die veel hoger zijn dan eerder bij een gelijkblijvend verbruik. Dit hangt volgens hen samen met de manier waarop de appartementen in het appartementencomplex worden verwarmd. Tot 2021 werden de appartementen door middel van een stadsverwarming verwarmd. Na 2021 is de VvE overgegaan op een installatie met warmtekrachtkoppeling en cv. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vragen in reconventie om een deskundige te benoemen om het functioneren van de warmtekrachtkoppeling en het cv-systeem en met name de warmtemeters in hun appartement te onderzoeken. Volgens de VvE is er geen noodzaak om een deskundige te benoemen omdat de VvE al alles heeft laten onderzoeken en Ista heeft geconstateerd dat de warmtemeters in het appartement van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] naar behoren functioneren. De kantonrechter geeft de VvE in conventie en in reconventie gelijk. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Beoordeling
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten € 20.388,49 aan voorschotbijdragen betalen
3.1.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de gevorderde (voorschot)bijdragen betalen want deze zijn rechtsgeldig door een besluit van de VvE vastgesteld en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben geen actie ondernomen richting de VvE naar aanleiding van dit besluit. Daarbij komt dat de kantonrechter van oordeel is dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te weinig naar voren hebben gebracht om te twijfelen aan de juistheid van de hoogte van de (voorschot)bijdragen. De stookkosten zijn weliswaar fors gestegen, maar dit valt te verklaren uit de forse stijging van de energieprijzen vanaf 2022. De stijging van de stookkosten alleen is daarom een onvoldoende aanwijzing dat de (voorschot)bijdrage van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet klopt. Het had op de weg gelegen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om hun verweer dat het gemeten verbruik niet kan kloppen meer handen en voeten te geven door bijvoorbeeld aan te tonen dat hun verbruik aanmerkelijk hoger ligt dan dat van andere vergelijkbare appartementen in het appartementencomplex. Dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat niet hebben gedaan komt voor hun rekening en risico.
De kantonrechter benoemt geen deskundige
3.2.
Gelet op het voorgaande ziet de kantonrechter ook geen aanleiding om een deskundige te benoemen. Daarbij komt dat een onderzoek naar de warmtekrachtkoppeling en cv alle appartementseigenaren aangaat en daarom besproken moet zijn op een ledenvergadering voordat de kantonrechter hier een beslissing over neemt. Op dit moment is dat (nog) niet gebeurd en kan de kantonrechter de vordering van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ook daarom niet toewijzen.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten wettelijke rente betalen
3.3.
De VvE heeft in haar dagvaarding aanvankelijk gevorderd: een bedrag van € 23.717,65 aan hoofdsom en een bedrag van € 4,54 aan wettelijke rente, te vermeerderen met de wettelijke rente over beide bedragen (€ 23.722,19) vanaf de dagvaarding. In haar akte wijziging van eis staat, zonder nadere toelichting, een wettelijke rente van € 1.733,96 bij een hoofdsom van € 20.338,49.
3.4.
De VvE heeft haar eiswijziging voor wat betreft de wettelijke rente niet nader toegelicht. Deze wijziging is zonder toelichting niet begrijpelijk. Daarom wijst de kantonrechter de wettelijke rente toe vanaf de vervaldata van de voorschotbijdragen.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.5.
De VvE vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding wordt toegewezen, omdat de eisende partij heeft onderbouwd dat zij kosten heeft gemaakt. Bovendien is de hoogte van het gevorderde bedrag redelijk omdat het in overeenstemming is met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Daarom wordt € 1.183,85 toegewezen.
3.6.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
€
20.388,49
- buitengerechtelijke incassokosten
€
1.183,85
+
Totaal
€
21.576,89
Proceskosten
3.7.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de VvE worden in conventie begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
137,30
- griffierecht
€
1.409,00
- salaris gemachtigde
€
1.086,00
(2 punten × € 543,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.767,30
3.8.
De proceskosten van de VvE worden in reconventie begroot op € 543,00 (2 punten × factor 0,5 × € 543,00) aan salaris gemachtigde.
3.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.10.
De veroordeling wordt deels hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Dictum
De kantonrechter
in conventie
4.1.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om aan de VvE te betalen een bedrag van € 21.576,89, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 20.388,49 vanaf de respectieve vervaldata van de (voorschot)bijdragen, telkens tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.767,30, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
4.3.
wijst de vordering van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] af,
4.4.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 678,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
4.5.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk tot betaling van de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.6.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2025.