Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-05-15
ECLI:NL:RBMNE:2025:2433
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,180 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/2092 en UTR 25/2288
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 april 2025 in de zaak tussen
[verzoekster 1] B.V. en [verzoekster 2] B.V., uit [vestigingsplaats] , verzoeksters
(gemachtigde: mr. F. Krol-Postma),
en
het college van burgemeester en wethouders van Almere, het college
(gemachtigde: M. Venema).
Inleiding
Geschil
1. Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over twee (verhoogde) lasten onder dwangsom die het college op 14 maart 2025 heeft opgelegd aan verzoeksters. Het college heeft tijdens milieucontroles op 12 juni en 30 augustus 2024 bij het tankstation aan [adres] in [plaats 1] geconstateerd dat de CNG-bufferopslag niet voldoet aan artikel 4.486 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Verzoeksters moeten de geconstateerde overtreding binnen twee weken beëindigen door de CNG-bufferopslag aan te passen zodat deze een brandwerendheid heeft van 60 minuten conform de NEN 6069.
2. Verzoeksters zijn het hier niet mee eens en hebben (pro-forma) bezwaar gemaakt. Omdat de begunstigingstermijn van de lasten twee weken bedroeg en verzoeksters het niet eens zijn met de constatering van het college dat er sprake is van een overtreding, hebben zij de voorzieningenrechter gevraagd om deze lasten te schorsen tot vier weken na het nemen van de beslissingen op het bezwaar.
3. Niet in geschil is dat niet wordt voldaan aan het vereiste dat de behuizing van de CNG-bufferopslag en de ondersteunende constructie van de opslag 60 minuten brandwerend zijn. Tussen partijen is in geschil de vraag of de gerealiseerde CNG-bufferopslag met afblaasvoorzieningen kan worden aangemerkt als een gelijkwaardige maatregel in de zin van het Bal. Verzoekers vinden dat dit zo is en baseren zich daarbij (onder meer) op een rapport van [onderneming 1] . Het college vindt dat er geen sprake is van een gelijkwaardige maatregel, omdat voor de behuizing (ofwel de schil) van CNG-bufferopslag onverkort een brandwerendheid van 60 minuten geldt. De enige andere voorstelbare gelijkwaardige maatregel zou er volgens het college uit bestaan door in een straal van 10 meter om de CNG-bufferopslag geen objecten neer te zetten.
Procesverloop
5. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 1 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mw. [A] namens [verzoekster 1] B.V, dhr. [B] namens [verzoekster 2] B.V, de gemachtigde van verzoeksters en ir. [C] als (partij)deskundige. Namens het college zijn verschenen de gemachtigde, dhr. [D] , [functie] bij de Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek (Omgevingsdienst) en dhr. [E] , in dienst bij de brandweer. Verder zijn verschenen mw. [F] , jurist , en dhr. [G] , beiden namens [onderneming 2] .
6. Voorafgaand aan de zitting heeft het college laten weten bereid te zijn de begunstigingstermijn voor beide lasten onder dwangsom naar aanleiding van het ingebrachte rapport van [onderneming 1] te verlengen tot 4 april 2025. Tijdens de zitting heeft het college toegezegd om - in afwachting van de uitspraak van de voorzieningenrechter - de begunstigingstermijn verder te verlengen tot 16 april 2025. Het college heeft naar aanleiding van hetgeen op de zitting is besproken, per e-mail van 7 april 2025 aangegeven niet bereid te zijn om de begunstigingstermijn van de lasten (nogmaals) met een termijn van drie maanden te verlengen.
7. Verzoeksters hebben op 8 april 2025 rechtstreeks (pro-forma) beroep tegen de lasten onder dwangsom ingesteld bij de rechtbank.
8. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op 8 april 2025 gesloten.
Overwegingen
Spoedeisend belang
9. Tussen partijen staat niet ter discussie dat verzoeksters een spoedeisend belang hebben bij een beslissing van de voorzieningenrechter.
Geen beoordeling rechtmatigheid
10. Een voorlopige voorziening is een spoedmaatregel. De procedure biedt maar beperkt ruimte voor een diepgravende beoordeling van standpunten die de rechtmatigheid van een besluit raken. Te meer als de voorziening hangende een bezwaarprocedure wordt gevraagd en zeker als de standpunten technisch-inhoudelijke aspecten raken die niet over de beoordeling van de juridische regels zelf gaan. Dat is in deze zaken aan de orde, omdat voor een inhoudelijke beoordeling van de gronden van verzoeksters moet worden bezien of de CNG-bufferopslag zoals deze is gerealiseerd kan worden aangemerkt als gelijkwaardige maatregel in de zin van het Bal. Zoals door de voorzieningenrechter op de zitting is toegelicht, is zij als rechter niet deskundig op het gebied van externe- /brandveiligheid. Daarom kan de voorzieningenrechter niet op eenvoudige wijze vaststellen of de besluiten wel of niet evident onrechtmatig zijn. Om de rechtmatigheid van de besluiten te kunnen beoordelen, zal de benoeming van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (STAB) nodig zijn, te meer nu verzoeksters een rapportage van een deskundige hebben overgelegd.
11. Om deze redenen zal de voorzieningenrechter de zaken in het kader van deze spoedprocedure niet inhoudelijk beoordelen. Wat de voorzieningenrechter wel doet, is bekijken welke belangen de partijen hebben bij het wel of niet schorsen van de lasten onder dwangsom. Vervolgens zal de voorzieningenrechter deze belangen tegen elkaar afwegen. In die belangenafweging zal de duur van een eventueel te treffen voorziening eveneens een rol spelen.
De belangen van partijen bij het wel of niet schorsen van de lasten
12. In de (verhoogde) lasten onder dwangsom en ook tijdens de zitting heeft het college toegelicht dat het externe veiligheidsrisico, meer concreet de mogelijke gevolgen voor de brandveiligheid op de locatie van het tankstation, maakt dat de uitkomst van een bezwaarprocedure niet afgewacht kan worden. In de lasten is dit risico als volgt omschreven: “Het is zeer reëel dat een accu van een auto in brand kan gaan en (dat) geeft een groot risico in het kader van brandveiligheid nu deze auto’s en laders dicht naast de CNG-unit staan. Het belang van het bedrijf is de mogelijkheid om hun normale bedrijfsvoering te kunnen uitoefenen – inclusief het tanken van CNG. Echter is dit belang veel kleiner dan het algemeen belang in het kader van brandgevaar. Daarnaast zal met deze last ook niet de gehele bedrijfsvoering stil komen te liggen nu op die locatie ook andere brandstoffen kunnen worden getankt”. Gelet op dit volgens het college zeer reële risico in het kader van de brandveiligheid, moet deze onveilige situatie spoedig worden opgeheven. Desgevraagd heeft het college ter zitting toegelicht dat het gegeven dat de geconstateerde overtreding inmiddels meer dan negen maanden voortduurt, te maken heeft met het onderzoek dat ook aan de zijde van de Omgevingsdienst heeft plaatsgevonden. De optie om (uiteindelijk) bestuursdwang toe te (kunnen) passen, vergt eveneens veel onderzoek en daarmee tijd bij het college. Om deze reden is er – conform de handhavingsstrategie van de gemeente – eerst voor gekozen om deze verhoogde lasten onder dwangsom op te leggen om verzoeksters ertoe te bewegen de overtreding te beëindigen.
13. Het belang van verzoeksters bij een toewijzing van de gevraagde voorziening is uiteengezet in de brief van 31 maart 2025. Daarin wordt toegelicht dat de aanpassingen die het college voorschrijft voor de CNG-bufferopslag zeer kostbaar zijn. Als de behuizing van het bufferhuis alsnog 60 minuten brandvertragend zou moeten worden gemaakt, dan zou dit € 25.000,- tot € 30.000,- kosten. Als de vloer ook 60 minuten brandvertragend moet worden gemaakt dan kost dit maar liefst € 200.000,-. Dat zou namelijk betekenen dat het hele bufferhuis opgetakeld moet worden, alle leidingen en kabels ontkoppeld moeten worden, en er dan extra brandvertragend materiaal onder zou moeten worden geplaatst. Het stilzetten van het CNG-station kost circa € 13.000,- omzet per maand. Stilzetten zou dan ook een grote aderlating zijn voor [onderneming 2] . Daar komt nog een verlies aan klanten en imagoschade bij. Verder is ter zitting toegelicht dat er relatief weinig CNG-tankstations zijn in Nederland. Het verzorgingsgebied van deze duurzame brandstof is dus groot. Bij het stilzetten van dit station zullen klanten voor deze brandstof ver moeten omrijden.
De belangenafweging door de voorzieningenrechter
14. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het belang van de externe veiligheid bij een tankstation een zwaarwegend algemeen belang is. Dit zwaarwegende algemene belang moet worden afgewogen tegen de financiële belangen die verzoeksters naar voren hebben gebracht. De rechtbank vindt in die afweging de volgende omstandigheden van belang.
15. Verzoeksters hebben kanttekeningen geplaatst bij de inschatting van het externe veiligheidsrisico door de Omgevingsdienst. Zij wijzen in dit kader in de eerste plaats op het rapport van [onderneming 1] . In dit rapport – en ook door de deskundige op de zitting – is toegelicht dat er volgens [onderneming 1] voldoende maatregelen zijn getroffen bij de CNG-bufferopslag waarmee in het scenario van een externe brand kan worden voorkomen dat de ondersteunende constructie van bufferopslag bezwijkt en wordt voorkomen dat er bijvoorbeeld een explosie optreedt. Daarnaast hebben verzoeksters gewezen op een naar hun mening vergelijkbare situatie van een CNG-bufferopslag bij het tankstation in [plaats 2] . Bij dit tankstation is een identieke CNG-bufferopslag gerealiseerd door [onderneming 2] . De ter plaatse verantwoordelijke Omgevingsdienst [.] heeft in die situatie (de destijds nog benodigde) toestemming verleend en de CNG-bufferopslag met afblaasvoorzieningen wél aangemerkt als een gelijkwaardige maatregel. Ook daar is het scenario van een externe brand (in dat geval door een benzine-autobus) getoetst. Tot slot stellen verzoeksters dat het door het college benoemde “zeer reële risico” dat een accu van een elektrische auto in brand gaat, niet groter is dan het risico dat benzine-auto’s in brand gaan en dit risico dus ten onrechte door het college is uitvergroot. Deze kanttekeningen maken volgens verzoeksters dat het college ten onrechte een (te) groot gewicht heeft toegekend aan het belang van de externe veiligheid.
16. Verzoeksters hebben naar het oordeel van de voorzieningenrechter onderbouwde kanttekeningen geplaatst bij de inschatting van het externe veiligheidsrisico door het college. Dit maakt dat het evidente grote algemene belang dat het college heeft in het kader van het beperken van externe veiligheidsrisico’s, in dit specifieke geval niet betekent dat de financiële belangen van verzoeksters daar per definitie niet tegen kunnen opwegen.
17. In het kader van de belangenafweging speelt verder een rol de duur waarvoor de voorziening wordt gevraagd alsook het moment waarop de rechtmatigheid van de besluitvorming wél kan worden beoordeeld. Verzoeksters hebben gevraagd om de lasten te schorsen tot vier weken na het nemen van de beslissingen op bezwaar. Hoewel het geschil ziet op een technisch-inhoudelijke vraag, is op zitting gebleken dat het geschil duidelijk en uitgekristalliseerd is. Partijen hebben op de zitting aangegeven in de bezwaarprocedure bij hun standpunten te blijven, zoals die blijken uit de stukken die zijn ingediend voor de voorlopige voorzieningenprocedure. Met partijen is besproken dat het vervolgen van de procedure door een bezwaarprocedure onder deze omstandigheden weinig zinvol is. Partijen hebben beiden belang bij een spoedige inhoudelijke beoordeling van hun standpunten door de rechtbank.
Conclusie
21. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken toe en zal een voorlopige voorziening treffen, inhoudende dat de twee (verhoogde) lasten onder dwangsom van 14 maart 2025 worden geschorst tot 17 juli 2025. Omdat partijen op de zitting overeen zijn gekomen om de bezwaarfase over te slaan, zal deze voorziening tevens zijn gekoppeld aan het inmiddels ingestelde rechtstreekse beroep door verzoeksters. Dit om te voorkomen dat er een nieuwe voorziening moet worden gevraagd vanwege het connexiteitsvereiste.
22. Omdat de voorzieningenrechter de verzoeken toewijst moet het college het griffierecht aan verzoeksters vergoeden. Verzoeksters krijgen ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt daarmee in totaal € 1.814,-.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- schorst de twee (verhoogde) lasten onder dwangsom die het college op 14 maart 2025 aan verzoeksters heeft opgelegd tot 17 juli 2025;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan verzoeksters moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoeksters.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Spee, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. J.M.T. Bouwman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Ingevolge artikel 4.486 van het Bal in combinatie met PGS 25 (versie 1.0 van augustus 2021) voorschrift 5.1.1.
Ingevolge artikel 4.483 van het Bal.
Rapport [onderneming 1] ‘Beoordeling brandveiligheid bufferopslag CNG-afleverstations’ van 7 maart 2025.
Besluit gelijkwaardigheid andere maatregelen van 11 september 2023.
Zie artikel 7:1a Awb.
Zie artikel 8:81 Awb.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/2092 en UTR 25/2288
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 april 2025 in de zaak tussen
[verzoekster 1] B.V. en [verzoekster 2] B.V., uit [vestigingsplaats] , verzoeksters
(gemachtigde: mr. F. Krol-Postma),
en
het college van burgemeester en wethouders van Almere, het college
(gemachtigde: M. Venema).
Inleiding
Geschil
1. Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over twee (verhoogde) lasten onder dwangsom die het college op 14 maart 2025 heeft opgelegd aan verzoeksters. Het college heeft tijdens milieucontroles op 12 juni en 30 augustus 2024 bij het tankstation aan [adres] in [plaats 1] geconstateerd dat de CNG-bufferopslag niet voldoet aan artikel 4.486 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Verzoeksters moeten de geconstateerde overtreding binnen twee weken beëindigen door de CNG-bufferopslag aan te passen zodat deze een brandwerendheid heeft van 60 minuten conform de NEN 6069.
2. Verzoeksters zijn het hier niet mee eens en hebben (pro-forma) bezwaar gemaakt. Omdat de begunstigingstermijn van de lasten twee weken bedroeg en verzoeksters het niet eens zijn met de constatering van het college dat er sprake is van een overtreding, hebben zij de voorzieningenrechter gevraagd om deze lasten te schorsen tot vier weken na het nemen van de beslissingen op het bezwaar.
3. Niet in geschil is dat niet wordt voldaan aan het vereiste dat de behuizing van de CNG-bufferopslag en de ondersteunende constructie van de opslag 60 minuten brandwerend zijn. Tussen partijen is in geschil de vraag of de gerealiseerde CNG-bufferopslag met afblaasvoorzieningen kan worden aangemerkt als een gelijkwaardige maatregel in de zin van het Bal. Verzoekers vinden dat dit zo is en baseren zich daarbij (onder meer) op een rapport van [onderneming 1] . Het college vindt dat er geen sprake is van een gelijkwaardige maatregel, omdat voor de behuizing (ofwel de schil) van CNG-bufferopslag onverkort een brandwerendheid van 60 minuten geldt. De enige andere voorstelbare gelijkwaardige maatregel zou er volgens het college uit bestaan door in een straal van 10 meter om de CNG-bufferopslag geen objecten neer te zetten.
Procesverloop
5. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 1 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mw. [A] namens [verzoekster 1] B.V, dhr. [B] namens [verzoekster 2] B.V, de gemachtigde van verzoeksters en ir. [C] als (partij)deskundige. Namens het college zijn verschenen de gemachtigde, dhr. [D] , [functie] bij de Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek (Omgevingsdienst) en dhr. [E] , in dienst bij de brandweer. Verder zijn verschenen mw. [F] , jurist , en dhr. [G] , beiden namens [onderneming 2] .
6. Voorafgaand aan de zitting heeft het college laten weten bereid te zijn de begunstigingstermijn voor beide lasten onder dwangsom naar aanleiding van het ingebrachte rapport van [onderneming 1] te verlengen tot 4 april 2025. Tijdens de zitting heeft het college toegezegd om - in afwachting van de uitspraak van de voorzieningenrechter - de begunstigingstermijn verder te verlengen tot 16 april 2025. Het college heeft naar aanleiding van hetgeen op de zitting is besproken, per e-mail van 7 april 2025 aangegeven niet bereid te zijn om de begunstigingstermijn van de lasten (nogmaals) met een termijn van drie maanden te verlengen.
7. Verzoeksters hebben op 8 april 2025 rechtstreeks (pro-forma) beroep tegen de lasten onder dwangsom ingesteld bij de rechtbank.
8. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op 8 april 2025 gesloten.
Overwegingen
Spoedeisend belang
9. Tussen partijen staat niet ter discussie dat verzoeksters een spoedeisend belang hebben bij een beslissing van de voorzieningenrechter.
Geen beoordeling rechtmatigheid
10. Een voorlopige voorziening is een spoedmaatregel. De procedure biedt maar beperkt ruimte voor een diepgravende beoordeling van standpunten die de rechtmatigheid van een besluit raken. Te meer als de voorziening hangende een bezwaarprocedure wordt gevraagd en zeker als de standpunten technisch-inhoudelijke aspecten raken die niet over de beoordeling van de juridische regels zelf gaan. Dat is in deze zaken aan de orde, omdat voor een inhoudelijke beoordeling van de gronden van verzoeksters moet worden bezien of de CNG-bufferopslag zoals deze is gerealiseerd kan worden aangemerkt als gelijkwaardige maatregel in de zin van het Bal. Zoals door de voorzieningenrechter op de zitting is toegelicht, is zij als rechter niet deskundig op het gebied van externe- /brandveiligheid. Daarom kan de voorzieningenrechter niet op eenvoudige wijze vaststellen of de besluiten wel of niet evident onrechtmatig zijn. Om de rechtmatigheid van de besluiten te kunnen beoordelen, zal de benoeming van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (STAB) nodig zijn, te meer nu verzoeksters een rapportage van een deskundige hebben overgelegd.
11. Om deze redenen zal de voorzieningenrechter de zaken in het kader van deze spoedprocedure niet inhoudelijk beoordelen. Wat de voorzieningenrechter wel doet, is bekijken welke belangen de partijen hebben bij het wel of niet schorsen van de lasten onder dwangsom. Vervolgens zal de voorzieningenrechter deze belangen tegen elkaar afwegen. In die belangenafweging zal de duur van een eventueel te treffen voorziening eveneens een rol spelen.
De belangen van partijen bij het wel of niet schorsen van de lasten
12. In de (verhoogde) lasten onder dwangsom en ook tijdens de zitting heeft het college toegelicht dat het externe veiligheidsrisico, meer concreet de mogelijke gevolgen voor de brandveiligheid op de locatie van het tankstation, maakt dat de uitkomst van een bezwaarprocedure niet afgewacht kan worden. In de lasten is dit risico als volgt omschreven: “Het is zeer reëel dat een accu van een auto in brand kan gaan en (dat) geeft een groot risico in het kader van brandveiligheid nu deze auto’s en laders dicht naast de CNG-unit staan. Het belang van het bedrijf is de mogelijkheid om hun normale bedrijfsvoering te kunnen uitoefenen – inclusief het tanken van CNG. Echter is dit belang veel kleiner dan het algemeen belang in het kader van brandgevaar. Daarnaast zal met deze last ook niet de gehele bedrijfsvoering stil komen te liggen nu op die locatie ook andere brandstoffen kunnen worden getankt”. Gelet op dit volgens het college zeer reële risico in het kader van de brandveiligheid, moet deze onveilige situatie spoedig worden opgeheven. Desgevraagd heeft het college ter zitting toegelicht dat het gegeven dat de geconstateerde overtreding inmiddels meer dan negen maanden voortduurt, te maken heeft met het onderzoek dat ook aan de zijde van de Omgevingsdienst heeft plaatsgevonden. De optie om (uiteindelijk) bestuursdwang toe te (kunnen) passen, vergt eveneens veel onderzoek en daarmee tijd bij het college. Om deze reden is er – conform de handhavingsstrategie van de gemeente – eerst voor gekozen om deze verhoogde lasten onder dwangsom op te leggen om verzoeksters ertoe te bewegen de overtreding te beëindigen.
13. Het belang van verzoeksters bij een toewijzing van de gevraagde voorziening is uiteengezet in de brief van 31 maart 2025. Daarin wordt toegelicht dat de aanpassingen die het college voorschrijft voor de CNG-bufferopslag zeer kostbaar zijn. Als de behuizing van het bufferhuis alsnog 60 minuten brandvertragend zou moeten worden gemaakt, dan zou dit € 25.000,- tot € 30.000,- kosten. Als de vloer ook 60 minuten brandvertragend moet worden gemaakt dan kost dit maar liefst € 200.000,-. Dat zou namelijk betekenen dat het hele bufferhuis opgetakeld moet worden, alle leidingen en kabels ontkoppeld moeten worden, en er dan extra brandvertragend materiaal onder zou moeten worden geplaatst. Het stilzetten van het CNG-station kost circa € 13.000,- omzet per maand. Stilzetten zou dan ook een grote aderlating zijn voor [onderneming 2] . Daar komt nog een verlies aan klanten en imagoschade bij. Verder is ter zitting toegelicht dat er relatief weinig CNG-tankstations zijn in Nederland. Het verzorgingsgebied van deze duurzame brandstof is dus groot. Bij het stilzetten van dit station zullen klanten voor deze brandstof ver moeten omrijden.
De belangenafweging door de voorzieningenrechter
14. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het belang van de externe veiligheid bij een tankstation een zwaarwegend algemeen belang is. Dit zwaarwegende algemene belang moet worden afgewogen tegen de financiële belangen die verzoeksters naar voren hebben gebracht. De rechtbank vindt in die afweging de volgende omstandigheden van belang.
15. Verzoeksters hebben kanttekeningen geplaatst bij de inschatting van het externe veiligheidsrisico door de Omgevingsdienst. Zij wijzen in dit kader in de eerste plaats op het rapport van [onderneming 1] . In dit rapport – en ook door de deskundige op de zitting – is toegelicht dat er volgens [onderneming 1] voldoende maatregelen zijn getroffen bij de CNG-bufferopslag waarmee in het scenario van een externe brand kan worden voorkomen dat de ondersteunende constructie van bufferopslag bezwijkt en wordt voorkomen dat er bijvoorbeeld een explosie optreedt. Daarnaast hebben verzoeksters gewezen op een naar hun mening vergelijkbare situatie van een CNG-bufferopslag bij het tankstation in [plaats 2] . Bij dit tankstation is een identieke CNG-bufferopslag gerealiseerd door [onderneming 2] . De ter plaatse verantwoordelijke Omgevingsdienst [.] heeft in die situatie (de destijds nog benodigde) toestemming verleend en de CNG-bufferopslag met afblaasvoorzieningen wél aangemerkt als een gelijkwaardige maatregel. Ook daar is het scenario van een externe brand (in dat geval door een benzine-autobus) getoetst. Tot slot stellen verzoeksters dat het door het college benoemde “zeer reële risico” dat een accu van een elektrische auto in brand gaat, niet groter is dan het risico dat benzine-auto’s in brand gaan en dit risico dus ten onrechte door het college is uitvergroot. Deze kanttekeningen maken volgens verzoeksters dat het college ten onrechte een (te) groot gewicht heeft toegekend aan het belang van de externe veiligheid.
16. Verzoeksters hebben naar het oordeel van de voorzieningenrechter onderbouwde kanttekeningen geplaatst bij de inschatting van het externe veiligheidsrisico door het college. Dit maakt dat het evidente grote algemene belang dat het college heeft in het kader van het beperken van externe veiligheidsrisico’s, in dit specifieke geval niet betekent dat de financiële belangen van verzoeksters daar per definitie niet tegen kunnen opwegen.
17. In het kader van de belangenafweging speelt verder een rol de duur waarvoor de voorziening wordt gevraagd alsook het moment waarop de rechtmatigheid van de besluitvorming wél kan worden beoordeeld. Verzoeksters hebben gevraagd om de lasten te schorsen tot vier weken na het nemen van de beslissingen op bezwaar. Hoewel het geschil ziet op een technisch-inhoudelijke vraag, is op zitting gebleken dat het geschil duidelijk en uitgekristalliseerd is. Partijen hebben op de zitting aangegeven in de bezwaarprocedure bij hun standpunten te blijven, zoals die blijken uit de stukken die zijn ingediend voor de voorlopige voorzieningenprocedure. Met partijen is besproken dat het vervolgen van de procedure door een bezwaarprocedure onder deze omstandigheden weinig zinvol is. Partijen hebben beiden belang bij een spoedige inhoudelijke beoordeling van hun standpunten door de rechtbank.
Conclusie
21. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken toe en zal een voorlopige voorziening treffen, inhoudende dat de twee (verhoogde) lasten onder dwangsom van 14 maart 2025 worden geschorst tot 17 juli 2025. Omdat partijen op de zitting overeen zijn gekomen om de bezwaarfase over te slaan, zal deze voorziening tevens zijn gekoppeld aan het inmiddels ingestelde rechtstreekse beroep door verzoeksters. Dit om te voorkomen dat er een nieuwe voorziening moet worden gevraagd vanwege het connexiteitsvereiste.
22. Omdat de voorzieningenrechter de verzoeken toewijst moet het college het griffierecht aan verzoeksters vergoeden. Verzoeksters krijgen ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt daarmee in totaal € 1.814,-.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- schorst de twee (verhoogde) lasten onder dwangsom die het college op 14 maart 2025 aan verzoeksters heeft opgelegd tot 17 juli 2025;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan verzoeksters moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoeksters.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Spee, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. J.M.T. Bouwman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Ingevolge artikel 4.486 van het Bal in combinatie met PGS 25 (versie 1.0 van augustus 2021) voorschrift 5.1.1.
Ingevolge artikel 4.483 van het Bal.
Rapport [onderneming 1] ‘Beoordeling brandveiligheid bufferopslag CNG-afleverstations’ van 7 maart 2025.
Besluit gelijkwaardigheid andere maatregelen van 11 september 2023.
Zie artikel 7:1a Awb.
Zie artikel 8:81 Awb.