Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-01-16
ECLI:NL:RBMNE:2025:2416
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
3,226 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11471272 \ UV EXPL 24-283 MvdH/40201
Kort geding verstekvonnis van 16 januari 2025
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [echtgenoot] ,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding met bijlagen en de mondelinge behandeling van 9 januari 2025.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling is [eiser] samen met haar echtgenoot de heer [echtgenoot] , tevens gemachtigde, verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. Aan het einde van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat zo spoedig mogelijk, uiterlijk op 23 januari 2025, vonnis wordt gewezen.
Overwegingen
2.1.
De kantonrechter verleent verstek tegen [gedaagde] omdat de dagvaarding op de voorgeschreven manier is betekend en hij niet is verschenen. Dit betekent dat de kantonrechter de vorderingen van [eiser] beoordeelt op basis van (alleen) de stellingen van [eiser] .
2.2.
Uit de door [eiser] overgelegde stukken volgt dat partijen eind december 2022 zijn overeengekomen dat [gedaagde] een bedrag van 50.000 dollar, afkomstig uit de verkoop van een huis van [eiser] in Nicaragua, tijdelijk in depot zou nemen vanwege een dreigende confiscatie van dit geld in Nicaragua. Op 30 juni 2024 zijn partijen een betalingsregeling overeengekomen inhoudende dat de schuld van [gedaagde] aan [eiser] van 50.000 euro in maandelijkse termijnen van 4.000 euro tussen de 20ste en de 25ste van iedere maand zou worden terugbetaald. Volgens [eiser] komt [gedaagde] de betalingsregeling niet volledig na. [eiser] vordert om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 12.000 aan achterstallige maandtermijnen. Ook wil zij dat [gedaagde] de drie komende maandtermijnen (januari, februari en maart 2025) op de in de betalingsregeling overeengekomen datum (zoals zij ter zitting haar eis heeft verminderd) aan haar betaalt. Haar vordering [gedaagde] te veroordelen tot het voeren van overleg met [eiser] , heeft zij ter zitting ingetrokken.
2.3.
De spoedeisendheid van de zaak is gegeven met de stelling van [eiser] dat zij momenteel niet de benodigde gelden heeft om borg voor een huurovereenkomst te betalen.
2.4.
Omdat [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd tegen de vorderingen en de gestelde feiten waarop [eiser] haar vorderingen baseert, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stellingen van [eiser] . In dat licht is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [gedaagde] gebonden is aan de betalingsregeling en dat hij de achterstallige maandtermijnen tot en met december 2024 aan [eiser] moet voldoen. [eiser] heeft bij haar vordering tot betaling van de achterstallige maandtermijnen bovendien een voldoende spoedeisend belang. Er bestaat weliswaar het risico dat het voor [eiser] niet mogelijk zal zijn om dit bedrag terug te betalen, maar dit staat toewijzing van de vordering niet in de weg vanwege de belangen van [eiser] om te beschikken over financiële middelen. Deze vordering van [eiser] tot betaling van een bedrag van € 12.000 euro aan achterstallige maandtermijnen wijst de kantonrechter daarom toe.
Ook de vordering van [eiser] tot betaling van de toekomstige maandtermijnen van januari tot en met maart 2025 wordt toegewezen. Omdat [gedaagde] de afgelopen maanden de betalingsregeling niet volledig is nagekomen en volgens [eiser] niet reageert op telefoontjes en e-mails bestaat er gegronde vrees dat [gedaagde] ook deze toekomstige maandtermijnen niet (volledig) zal betalen. Om die reden wordt deze vordering toegewezen.
2.5.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. [eiser] heeft geen recht op salaris voor haar gemachtigde omdat haar echtgenoot als gemachtigde voor haar is opgetreden. Wel heeft [eiser] recht op de forfaitaire vergoeding voor haar reiskosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
€
90,00
- reiskosten
€
50,00
- nakosten
€
135,00
Totaal
€
275,00
Dictum
De kantonrechter
geeft de volgende onmiddellijke voorziening
3.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 12.000,-- aan achterstallige maandtermijnen tot en met december 2024,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 4.000,- per maand over de maanden januari, februari en maart 2025 tussen de 20ste en de 25ste van de betreffende maand,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 275,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.H. Charbon en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2025.
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11471272 \ UV EXPL 24-283 MvdH/40201
Kort geding verstekvonnis van 16 januari 2025
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [echtgenoot] ,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding met bijlagen en de mondelinge behandeling van 9 januari 2025.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling is [eiser] samen met haar echtgenoot de heer [echtgenoot] , tevens gemachtigde, verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. Aan het einde van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat zo spoedig mogelijk, uiterlijk op 23 januari 2025, vonnis wordt gewezen.
Overwegingen
2.1.
De kantonrechter verleent verstek tegen [gedaagde] omdat de dagvaarding op de voorgeschreven manier is betekend en hij niet is verschenen. Dit betekent dat de kantonrechter de vorderingen van [eiser] beoordeelt op basis van (alleen) de stellingen van [eiser] .
2.2.
Uit de door [eiser] overgelegde stukken volgt dat partijen eind december 2022 zijn overeengekomen dat [gedaagde] een bedrag van 50.000 dollar, afkomstig uit de verkoop van een huis van [eiser] in Nicaragua, tijdelijk in depot zou nemen vanwege een dreigende confiscatie van dit geld in Nicaragua. Op 30 juni 2024 zijn partijen een betalingsregeling overeengekomen inhoudende dat de schuld van [gedaagde] aan [eiser] van 50.000 euro in maandelijkse termijnen van 4.000 euro tussen de 20ste en de 25ste van iedere maand zou worden terugbetaald. Volgens [eiser] komt [gedaagde] de betalingsregeling niet volledig na. [eiser] vordert om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 12.000 aan achterstallige maandtermijnen. Ook wil zij dat [gedaagde] de drie komende maandtermijnen (januari, februari en maart 2025) op de in de betalingsregeling overeengekomen datum (zoals zij ter zitting haar eis heeft verminderd) aan haar betaalt. Haar vordering [gedaagde] te veroordelen tot het voeren van overleg met [eiser] , heeft zij ter zitting ingetrokken.
2.3.
De spoedeisendheid van de zaak is gegeven met de stelling van [eiser] dat zij momenteel niet de benodigde gelden heeft om borg voor een huurovereenkomst te betalen.
2.4.
Omdat [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd tegen de vorderingen en de gestelde feiten waarop [eiser] haar vorderingen baseert, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stellingen van [eiser] . In dat licht is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [gedaagde] gebonden is aan de betalingsregeling en dat hij de achterstallige maandtermijnen tot en met december 2024 aan [eiser] moet voldoen. [eiser] heeft bij haar vordering tot betaling van de achterstallige maandtermijnen bovendien een voldoende spoedeisend belang. Er bestaat weliswaar het risico dat het voor [eiser] niet mogelijk zal zijn om dit bedrag terug te betalen, maar dit staat toewijzing van de vordering niet in de weg vanwege de belangen van [eiser] om te beschikken over financiële middelen. Deze vordering van [eiser] tot betaling van een bedrag van € 12.000 euro aan achterstallige maandtermijnen wijst de kantonrechter daarom toe.
Ook de vordering van [eiser] tot betaling van de toekomstige maandtermijnen van januari tot en met maart 2025 wordt toegewezen. Omdat [gedaagde] de afgelopen maanden de betalingsregeling niet volledig is nagekomen en volgens [eiser] niet reageert op telefoontjes en e-mails bestaat er gegronde vrees dat [gedaagde] ook deze toekomstige maandtermijnen niet (volledig) zal betalen. Om die reden wordt deze vordering toegewezen.
2.5.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. [eiser] heeft geen recht op salaris voor haar gemachtigde omdat haar echtgenoot als gemachtigde voor haar is opgetreden. Wel heeft [eiser] recht op de forfaitaire vergoeding voor haar reiskosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
€
90,00
- reiskosten
€
50,00
- nakosten
€
135,00
Totaal
€
275,00
Dictum
De kantonrechter
geeft de volgende onmiddellijke voorziening
3.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 12.000,-- aan achterstallige maandtermijnen tot en met december 2024,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 4.000,- per maand over de maanden januari, februari en maart 2025 tussen de 20ste en de 25ste van de betreffende maand,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 275,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.H. Charbon en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2025.