Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-03-19
ECLI:NL:RBMNE:2025:2357
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,196 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/4525
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , te [plaats] , eiseres,
(gemachtigde: R. Grijpstra)
en
de Minister van Financiën, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek.
Overwegingen
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. De rechtbank is namelijk van oordeel dat zij kennelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dat oordeel komt.
Begin maart 2022 heeft eiseres bij verweerder gemeld dat zij vermoedt dat zij onterechte gevolgen heeft ondervonden als gevolg van registratie in de Fraude Signalering Voorziening (FSV). Bij brief van 31 maart 2022 heeft verweerder aan eiseres laten weten dat hij gaat onderzoeken of hij in het verleden onterecht niet heeft meegewerkt aan een verzoek van eiseres tot deelname minnelijke schuldsanering door haar registratie in de FSV. Binnen acht weken krijgt eiseres een reactie.
Op 15 september 2022 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld wegens het uitblijven van verdere reactie. Op 3 oktober 2022 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit.
De rechtbank heeft beoordeeld of de melding van eiseres moet worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op basis waarvan verweerder gehouden zou zijn om een besluit te nemen in de zin van het eerste lid. Als dat het geval is, is het namelijk pas mogelijk om beroep in te stellen tegen het uitblijven van het besluit.
5. Op grond van het eerste lid van artikel 1:3 van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een publiekrechtelijke rechtshandeling is een rechtshandeling waartoe een bestuursorgaan op grond van zijn publiekrechtelijke taken wettelijk gehouden is.
6. Eiseres heeft bij haar melding gevraagd om een onderzoek door verweerder en om haar over de uitkomst daarvan te informeren. De rechtbank is van oordeel dat dit verzoek eiseres niet kan worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Er is namelijk geen publiekrechtelijke grondslag in wet- of regelgeving aan te wijzen op grond waarvan verweerder hierop moet beslissen.
7. Omdat de melding van eiseres niet kan worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, kan er ook geen sprake zijn van een met een appellabel besluit gelijk te stellen niet-tijdig nemen van een besluit. Dit betekent dat het voor eiseres gelet op het bepaalde in artikel 8:1, eerste lid, van de Awb wettelijk gezien niet mogelijk was om beroep in te stellen bij de bestuursrechter en deze onbevoegd is.Conclusie en gevolgen
8. Omdat de bestuursrechter onbevoegd is, zal het door eiser betaalde griffierecht worden terugbetaald. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2025.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/4525
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , te [plaats] , eiseres,
(gemachtigde: R. Grijpstra)
en
de Minister van Financiën, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek.
Overwegingen
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. De rechtbank is namelijk van oordeel dat zij kennelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dat oordeel komt.
Begin maart 2022 heeft eiseres bij verweerder gemeld dat zij vermoedt dat zij onterechte gevolgen heeft ondervonden als gevolg van registratie in de Fraude Signalering Voorziening (FSV). Bij brief van 31 maart 2022 heeft verweerder aan eiseres laten weten dat hij gaat onderzoeken of hij in het verleden onterecht niet heeft meegewerkt aan een verzoek van eiseres tot deelname minnelijke schuldsanering door haar registratie in de FSV. Binnen acht weken krijgt eiseres een reactie.
Op 15 september 2022 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld wegens het uitblijven van verdere reactie. Op 3 oktober 2022 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit.
De rechtbank heeft beoordeeld of de melding van eiseres moet worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op basis waarvan verweerder gehouden zou zijn om een besluit te nemen in de zin van het eerste lid. Als dat het geval is, is het namelijk pas mogelijk om beroep in te stellen tegen het uitblijven van het besluit.
5. Op grond van het eerste lid van artikel 1:3 van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een publiekrechtelijke rechtshandeling is een rechtshandeling waartoe een bestuursorgaan op grond van zijn publiekrechtelijke taken wettelijk gehouden is.
6. Eiseres heeft bij haar melding gevraagd om een onderzoek door verweerder en om haar over de uitkomst daarvan te informeren. De rechtbank is van oordeel dat dit verzoek eiseres niet kan worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Er is namelijk geen publiekrechtelijke grondslag in wet- of regelgeving aan te wijzen op grond waarvan verweerder hierop moet beslissen.
7. Omdat de melding van eiseres niet kan worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, kan er ook geen sprake zijn van een met een appellabel besluit gelijk te stellen niet-tijdig nemen van een besluit. Dit betekent dat het voor eiseres gelet op het bepaalde in artikel 8:1, eerste lid, van de Awb wettelijk gezien niet mogelijk was om beroep in te stellen bij de bestuursrechter en deze onbevoegd is.Conclusie en gevolgen
8. Omdat de bestuursrechter onbevoegd is, zal het door eiser betaalde griffierecht worden terugbetaald. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2025.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.