Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-05-07
ECLI:NL:RBMNE:2025:2241
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,444 tokens
Inleiding
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer / rekestnummer: C/16/580567 / HL RK 24-56
Beschikking van 7 mei 2025
in de zaak van
[verzoekster]
,
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
advocaat: mr. A. Kolder,
tegen
NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,
te s'-Gravenhage,
verwerende partij,
hierna te noemen: NN,
advocaat: mr. A.N.L. de Hoogh.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met 19 producties
- het verweerschrift met producties
- de mondelinge behandeling van 11 februari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de spreekaantekeningen van de zijde van NN.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
Beoordeling
Wat is er gebeurd?
2.1.
[verzoekster] is op 14 mei 2021 in haar auto van achteren aangereden door een verzekerde van NN. Volgens [verzoekster] heeft zij daar klachten en beperkingen aan overgehouden. [verzoekster] heeft de gevolgen van dat ongeluk in eerste instantie proberen te regelen met Unigarant, haar eigen SVI-verzekeraar (SVI is een schadeverzekering voor de inzittenden, waaronder de bestuurder, van een voertuig). In onderling overleg tussen [verzoekster] en Unigarant hebben twee onafhankelijke medische deskundigen, een neuroloog en een psychiater, onderzoek gedaan naar de gevolgen van het ongeluk voor [verzoekster] .
Unigarant en [verzoekster] verschilden van mening over de betekenis die aan de rapporten van deze deskundigen moet worden toegekend. Unigarant heeft het dossier vervolgens gesloten omdat zij meende geen vervolgbetalingen meer verschuldigd te zijn. Op dat moment had Unigarant in totaal een bedrag van € 220.000,- uitgekeerd aan [verzoekster] . [verzoekster] was het niet eens met deze beslissing van Unigarant en heeft vervolgens NN benaderd om de schadeafhandeling verder op te pakken.
Waar gaat deze zaak over?
2.2.
[verzoekster] en NN zijn het niet eens over de waarde van de rapporten die door de neuroloog en de psychiater zijn opgesteld. Daar zijn de onderhandelingen tussen partijen over de afwikkeling van de schade van [verzoekster] op vastgelopen. NN meent vooral dat [verzoekster] relevante informatie over zichzelf niet heeft gedeeld met de medisch deskundigen. De medisch deskundigen hebben deze informatie dus niet kunnen gebruiken in hun onderzoek en de daaropvolgende rapporten. Deze informatie zou volgens NN van wezenlijke invloed zijn geweest op de uitkomst van het onderzoek en de daaruit door de medisch deskundigen getrokken conclusies. Daarom vindt NN dat de rapporten van de medisch deskundigen niet bruikbaar zijn. [verzoekster] is het niet eens met het standpunt van NN en heeft gemotiveerd bestreden dat zij relevantie informatie aan de deskundigen heeft onthouden. Zij verzoekt de rechtbank nu om vast te stellen dat de rapporten van de neuroloog en de psychiater voor NN hebben te gelden als uitgangspunt voor de beoordeling van de schade van [verzoekster] . Daarnaast wil [verzoekster] dat de rechtbank vaststelt dat [verzoekster] de klachten die in de rapporten worden beschreven heeft en dat deze klachten door het ongeluk zijn veroorzaakt. Verder wil [verzoekster] dat de rechtbank vaststelt dat nu onderzoek moet worden gedaan door een verzekeringsarts en dat NN wordt verplicht mee te werken aan zo’n onderzoek.
Is NN als ‘volgend verzekeraar’ gebonden aan de medische expertises?
2.3.
In gevallen als deze, waarin zowel een SVI-verzekeraar (Unigarant) als een motorrijtuigverzekeraar (NN) betrokken zijn bij de schadeafhandeling, neemt de SVI-verzekeraar de rol van ‘regelend’ verzekeraar op zich. Dat hebben verzekeraars onderling zo afgesproken om de schaderegeling zo soepel mogelijk te laten verlopen. De medische expertises zijn uitgevoerd in onderling overleg tussen [verzoekster] en Unigarant. Zij hebben samen de opdracht aan de deskundige gegeven. Unigarant is bij de schadeafhandeling met [verzoekster] opgetreden als regelend verzekeraar en NN was ‘volgend’. Alleen daarom zou NN volgens [verzoekster] al gebonden zijn aan de medische expertises.
2.4.
Dat standpunt volgt de rechtbank niet. In de eerste plaats gaat het hier om een afspraak tussen verzekeraars onderling over een efficiënter verloop van een schaderegeling. Daarmee hebben verzekeraars niet bedoeld zich te binden naar derden. Derden, zoals in dit geval [verzoekster] , kunnen dan ook niet zonder meer rechten ontlenen aan dit convenant. Verder is het zo dat NN als volgend verzekeraar niet betrokken is geweest bij de keuze voor deskundigen, geen bemoeienis heeft gehad met de aan de deskundigen te stellen vragen en ook niet heeft kunnen reageren op de uitgebrachte concept-rapportages.
De bewijskracht van de deskundigenrapporten
2.5.
Dan blijft over de vraag welke bewijskracht toekomt aan de inhoud van de deskundigenrapporten en of op grond daarvan de verzoeken toegewezen zouden kunnen worden. Aangezien NN niet gebonden is aan de rapporten, beweegt de bewijskracht van de rapporten meer naar dat van partijdeskundigen dan van gezamenlijke deskundigen. Als het op een bodemprocedure aan zou komen, is de rechter op grond van het nieuwe bewijsrecht gehouden om de partijdeskundigen te horen voordat hij aan hun rapporten voorbijgaat, tenzij bij voorbaat al duidelijk is dat een nieuwe deskundige benoemd moet worden.
2.6.
NN heeft in dat verband voldoende onderbouwd dat zij relevante vragen heeft over de deskundigenrapporten. Zij heeft aangevoerd dat de rapporten niet op basis van juiste en/of volledige informatie tot stand zijn gekomen, terwijl de ontbrekende/onjuiste informatie wel relevant zou zijn geweest voor de uitkomsten. NN baseert dit op de informatie waarover zij inmiddels beschikking heeft gekregen.
2.7.
Het gaat vooral om onduidelijkheid over het arbeidsverleden van [verzoekster] . De psychiater heeft, op basis van de verklaringen van [verzoekster] geconcludeerd dat geen sprake was van persoonlijkheidsstoornissen. Daarvoor heeft de psychiater onder meer het volgende van belang geacht: “Betrokkene heeft in het leven zeker het nodige meegemaakt, zoals enkele problematische relaties. Toch heeft dit niet geleid tot langdurig disfunctioneren beginnend in haar jeugd of jongvolwassenheid. Ze heeft jarenlang hard gewerkt en naar ik begrijp met tevredenheid en waaruit ze ook veel voldoening haalde. Ze heeft nauwelijks ziekteverzuim gehad in al die jaren.”
Wat echter uit het dossier blijkt, is dat [verzoekster] eind 2013 is ontslagen uit haar dienstverband van dat moment en dat zij daarna – tot zij in 2019 als ZZP’er startte – geen betaalde arbeid heeft verricht. Dit is relevante informatie. De psychiater en de neuroloog lijken bij hun onderzoeken en rapportages hiermee niet bekend geweest te zijn en het is niet uitgesloten zij vanwege deze informatie tot een ander inzicht zouden kunnen komen.
2.8.
Tevens zijn er relevante onduidelijkheden over de medische voorgeschiedenis van [verzoekster] . In het bijzonder zou er sprake zijn van een PTSS in 2014 en whiplashklachten na een ongeval in 2016.
2.9.
Ter nadere uitleg van de relevantie van voornoemde onduidelijkheden geldt het volgende. In letselschadezaken zijn de aansprakelijke partij en zijn verzekeraar voor de beoordeling van de gestelde schade en het causaal verband nagenoeg volledig afhankelijk van de (medische) informatie die de benadeelde verstrekt. Deze (medische) informatie ligt namelijk in het domein van de benadeelde. Vanwege de strenge privacyregelgeving hebben de aansprakelijke partij en zijn verzekeraar maar zeer beperkt de mogelijkheid om zelf relevante informatie over de benadeelde te verzamelen. Deze afhankelijke positie brengt mee dat erop vertrouwd moet kunnen vertrouwen dat de verstrekte informatie volledig en correct is.
2.10.
Dat geldt des te meer als het, zoals hier, gaat om klachten waarvoor (vaak) geen medische verklaring kan worden gevonden. In de jurisprudentie is een beoordelingskader ontwikkeld op grond waarvan ook zulk soort klachten, waarvan het bestaan niet objectief is vast te stellen, toch tot een schadevergoedingsplicht kunnen leiden. Bij zulke klachten moet dan sprake zijn van een plausibel klachtenpatroon.
Daarvan zal (meestal) sprake zijn als het patroon van klachten consistent, consequent en samenhangend is.
Dictum
De rechtbank
3.1.
wijst de verzoeken af,
3.2.
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 6.853,44, te vermeerderen met het voor deze procedure verschuldigde griffierecht van € 320,00.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2025.
4403