Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-05-09
ECLI:NL:RBMNE:2025:2200
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
907 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3728
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 mei 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. K. Loef),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
Overwegingen
1. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Op 28 februari 2024 heeft verzoekster een verzoek om herbeoordeling in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet Wia) gedaan. Op 30 april 2024 heeft verzoekster verweerder in gebreke gesteld en gevraagd of verweerder binnen twee weken kan beslissen op het verzoek. Verweerder heeft op 2 mei 2024 verzoekster medegedeeld dat zij proberen om binnen twee weken een beslissing op het verzoek te nemen. Op 22 mei 2024 is verzoekster in beroep gegaan tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek. Op 25 juni 2024 heeft verweerder alsnog een beslissing genomen. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoekster wilde. Verzoekster heeft op 16 september 2024 het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
3. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
4. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoekster en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van verzoekster te betalen. Verweerder is van mening dat de wegingsfactor in deze zaak licht moet zijn.
5. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).
6. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet.
Dictum
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
J.M.J. Kooistra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Conform de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1796.