Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-04-30
ECLI:NL:RBMNE:2025:2044
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,152 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11172676 \ MC EXPL 24-4037
Vonnis van 30 april 2025 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser]
,
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. [.] ,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. R.V. Ruimschotel.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie- de conclusie van antwoord in reconventie
- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald- de mondelinge behandeling van 8 april 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat er een vonnis komt.
2De kern van de zaak
[eiser] had last van een vochtprobleem in de kelder van een woning die hij verhuurt. Hij heeft daarom [gedaagde] ingeschakeld. Afgesproken is dat [gedaagde] de kelder zou injecteren met een middel waardoor er geen water meer de kelder zou kunnen binnendringen. Die werkzaamheden zijn op zichzelf naar tevredenheid afgerond. Maar [eiser] is erachter gekomen dat het vochtprobleem goedkoper had kunnen worden opgelost met ventilatie. [eiser] vindt dat [gedaagde] hem daarvoor had moeten waarschuwen, en wil daarom het bedrag dat hij al heeft betaald terug hebben. De kantonrechter wijst dat af, want de waarschuwingsplicht van [gedaagde] is beperkt tot onjuistheden in de opdracht, en die waren er niet. De kelder was ook niet ongeschikt om de voorgestelde werkzaamheden uit te voeren. Omdat de werkzaamheden correct zijn uitgevoerd, wordt de tegenvordering van [gedaagde] om de openstaande facturen te betalen toegewezen.
Beoordeling
Over de vordering van [eiser] (in conventie)
Geen schending van precontractuele waarschuwingsplicht
3.1.
[eiser] heeft tot nu toe € 3.484,80 betaald aan [gedaagde] en vordert dit bedrag terug (plus wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten, expertisekosten en proceskosten). Daarvoor beroept [eiser] zich (primair) op artikel 7:754 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In dit artikel staat onder andere dat de aannemer al bij het aangaan van de overeenkomst verplicht is om de opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht (voor zover de aannemer die onjuistheden kende of moest kennen). Maar in dit geval is er geen sprake van zo’n precontractuele waarschuwingsplicht. [gedaagde] heeft dus niets nagelaten in strijd met een wettelijke plicht. [gedaagde] heeft daarom niet onrechtmatig gehandeld tegenover [eiser] . De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] daarom af en legt dat hierna uit.
3.2.
[eiser] wilde, in zijn eigen woorden, een oplossing voor een vochtprobleem in de kelder. Op de zitting heeft [eiser] uitgelegd dat hij dit zag als noodzakelijk onderhoud, omdat zich bovenin de kelder houten vloerbalken bevinden, waar de vloer van de begane grond op rust. [eiser] wilde (verder) houtrot in deze balken voorkomen. [gedaagde] heeft aangeboden om het vochtprobleem op te lossen door het waterdicht injecteren van de kelder en [eiser] is daarmee akkoord gegaan (in zijn e-mail van 31 juli 2023).
3.3.
Later is [eiser] erachter gekomen dat er een mogelijk goedkopere oplossing bestond voor het oplossen van het vochtprobleem, namelijk het aanbrengen van permanente ventilatie. [eiser] onderbouwt dat met een deskundigenrapport van [onderneming] van 25 april 2024 (hierna: het [onderneming] -rapport). Hij vindt dat [gedaagde] hem had moeten waarschuwen vóórdat hij akkoord ging met het aanbod, zodat hij voor de goedkopere oplossing had kunnen kiezen. Maar [gedaagde] hoefde dat niet te doen. Er was namelijk niets onjuist aan de opdracht van [eiser] . [eiser] wilde een oplossing voor een vochtprobleem en [gedaagde] heeft die geboden. De opdracht van [eiser] was heel algemeen geformuleerd en daarom had [gedaagde] de vrijheid om een oplossing aan te bieden die volgens haar beantwoordde aan de opdracht. De waarschuwingsplicht van artikel 7:754 BW betekent in ieder geval niet dat een aannemer mogelijk goedkopere opties voor moet leggen.
3.4.
Ook de andere situaties uit artikel 7:754 BW zijn niet van toepassing. De keldermuren waren geschikt om waterdicht te injecteren, dus de grond waarop [eiser] het werk liet uitvoeren was niet ongeschikt. [eiser] heeft ook geen plannen, tekeningen, berekeningen, bestekken of uitvoeringsvoorschriften aan [gedaagde] verstrekt.
3.5.
[eiser] heeft verder nog aangegeven dat de werkzaamheden onnodig en nutteloos waren en dat [gedaagde] daarvoor had moeten waarschuwen. Maar daar is de kantonrechter het niet mee eens. De door [gedaagde] uitgevoerde werkzaamheden waren een adequate oplossing van het vochtprobleem, want dat is verholpen. [eiser] geeft aan dat er nog steeds sprake is van vocht in de kelder volgens het [onderneming] -rapport van 25 april 2024, maar [gedaagde] heeft uitgelegd dat de muren toen nog aan het drogen waren (en [eiser] heeft dat niet weersproken). Dat volgt ook uit het [onderneming] -rapport zelf: “Op het moment van ons onderzoek bevindt er zich nog (rest)vocht, achter de door wederpartij aangebrachte laag, in de kelderwanden en de vloer waardoor de vochtmeter “nat” aangeeft” (pagina 8).
3.6.
[gedaagde] heeft bovendien een verklaring van de huurder van 18 juli 2024 ingediend, toen de muren waren uitgedroogd na de werkzaamheden. De huurder heeft verklaard dat op dat moment verschil te zien is, dat de vloer en het hout in de kelder (lees: de houten vloerbalken) droog zijn, en dat er geen zichtbare druppels op de muur aanwezig zijn. De huurder onderbouwt dat met foto’s. [eiser] heeft de bevindingen van de huurder onvoldoende weersproken en geen stukken ingediend van na het [onderneming] -rapport waarin wordt onderbouwd dat het vochtprobleem nog steeds aanwezig zou zijn. Dit terwijl [eiser] wel ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om in de periode tussen juli 2024 en de zitting van 8 april 2025 zulke stukken op te (laten) stellen en in te dienen. [eiser] heeft op de zitting nog uitgelegd dat hij bedoelt dat de kelder muf ruikt en vochtig aanvoelt, maar dat betekent nog niet dat het vochtprobleem niet is opgelost. Het is immers normaal dat een kelder enigszins muf en vochtig is, zeker als die niet goed is geventileerd.
Geen gebrekkige uitvoering van het werk
3.7.
[eiser] baseert zijn vordering niet alleen op schending van de precontractuele waarschuwingsplicht, maar (subsidiair) ook op een ondeugdelijke uitvoering van de werkzaamheden. Daarvan is in dit geval geen sprake. In het [onderneming] -rapport, ingediend door [eiser] zelf, staat namelijk expliciet dat de overeengekomen werkzaamheden correct zijn uitgevoerd (pagina 7) en dat het uitgevoerde werk voldoet aan de normale eisen van goed en deugdelijk werk (pagina 8). Er is dus geen sprake van een toerekenbare tekortkoming.
Geen verklaring voor recht
3.8.
[eiser] heeft de kantonrechter ook gevraagd om te verklaren voor recht dat [gedaagde] met opzet de waarschuwingsplicht van artikel 7:754 BW heeft geschonden. Dat wijst de kantonrechter af, omdat [gedaagde] geen waarschuwingsplicht heeft geschonden (zie randnummer 3.1 – 3.6).
[eiser] moet de proceskosten van [gedaagde] betalen
3.9.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
813,00
3.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Over de vordering van [gedaagde] (in reconventie)
[eiser] moet de openstaande facturen betalen
3.11.
Als tegenvordering eist [gedaagde] dat [eiser] , die alleen de eerste termijn van € 3.484,80 heeft betaald, de openstaande termijnen van in totaal € 4.403,20 betaalt (plus wettelijke handelsrente). De kantonrechter wijst dat toe. Partijen zijn het immers eens over de gemaakte afspraken. Zoals al in randnummer 3.7 is uitgelegd, zijn de overeengekomen werkzaamheden correct uitgevoerd. Het verweer van [eiser] dat de werkzaamheden niet naar behoren zijn uitgevoerd, gaat dus niet op. [eiser] vindt daarnaast dat hij de facturen niet hoeft te betalen omdat [gedaagde] niet aan haar waarschuwingsplicht heeft voldaan. Maar dat is een kwestie die losstaat van het betalen van de facturen.
Dictum
De kantonrechter
in conventie
4.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 813,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
4.3.
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 4.403,20, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 juli 2024, tot de dag van volledige betaling,
4.4.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 271,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en reconventie
4.5.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.6.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.2 tot en met 4.6 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
4.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. G. Boonzaaijer en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2025.
Tot 1 januari 2024 luidde dit artikel als volgt: “De aannemer is bij het aangaan of het uitvoeren van de overeenkomst verplicht de opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht voor zover hij deze kende of redelijkerwijs behoorde te kennen. Hetzelfde geldt in geval van gebreken en ongeschiktheid van zaken afkomstig van de opdrachtgever, daaronder begrepen de grond waarop de opdrachtgever een werk laat uitvoeren, alsmede fouten of gebreken in door de opdrachtgever verstrekte plannen, tekeningen, berekeningen, bestekken of uitvoeringsvoorschriften.”
Artikel 6:162 BW.
Artikel 6:74 BW.