Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-03-31
ECLI:NL:RBMNE:2025:2023
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,848 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/4174
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, verweerder,
(gemachtigde: M. Vrisou van Eck).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld op 17 augustus 2023 tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 30 juli 2023.
De bezwaarprocedure ging over een naheffingsaanslag parkeerbelasting. In de uitspraak op bezwaar is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser is hiertegen in beroep gegaan, omdat hij wel een parkeervergunning had voor het parkeren, maar het kenteken van de leenauto die eiser destijds reed niet goed aangemeld was bij de gemeente.
Verweerder heeft op 18 januari 2024 de naheffingsaanslag parkeerbelasting vernietigd.
Overwegingen
1.De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Procesbelang is het belang dat bestaat bij de uitkomst van de procedure, dus wat de rechtzoekende concreet met het beroep wil of kan bereiken. Dit gaat niet om de vraag of de rechtzoekende gelijk heeft. Het gaat erom dat de rechtzoekende een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk, als hij dat in de beroepsprocedure zou krijgen. De vraag of er procesbelang is, wordt daarom beantwoord naar de stand van zaken op het moment van het beoordelen van het beroep. De bestuursrechter doet geen uitspraken uitsluitend vanwege de principiële betekenis ervan.
3. Verweerder heeft op 18 januari 2024 de naheffingsaanslag parkeerbelasting vernietigd.
4. De rechtbank stelt vast dat verweerder volledig aan eiser zijn bezwaar tegemoet is gekomen. Het geschil tussen eiser en verweerder houdt daardoor op te bestaan. Aangezien niet is gebleken van enig belang bij vernietiging van het bestreden besluit, moet het beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard.
5. Van een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.
6. Omdat verweerder aan het beroep is tegemoetgekomen, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoedt.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiser heeft betaald moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
A.C. van de Biesebos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
31 maart 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 augustus 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU1396.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/4174
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, verweerder,
(gemachtigde: M. Vrisou van Eck).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld op 17 augustus 2023 tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 30 juli 2023.
De bezwaarprocedure ging over een naheffingsaanslag parkeerbelasting. In de uitspraak op bezwaar is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser is hiertegen in beroep gegaan, omdat hij wel een parkeervergunning had voor het parkeren, maar het kenteken van de leenauto die eiser destijds reed niet goed aangemeld was bij de gemeente.
Verweerder heeft op 18 januari 2024 de naheffingsaanslag parkeerbelasting vernietigd.
Overwegingen
1.De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Procesbelang is het belang dat bestaat bij de uitkomst van de procedure, dus wat de rechtzoekende concreet met het beroep wil of kan bereiken. Dit gaat niet om de vraag of de rechtzoekende gelijk heeft. Het gaat erom dat de rechtzoekende een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk, als hij dat in de beroepsprocedure zou krijgen. De vraag of er procesbelang is, wordt daarom beantwoord naar de stand van zaken op het moment van het beoordelen van het beroep. De bestuursrechter doet geen uitspraken uitsluitend vanwege de principiële betekenis ervan.
3. Verweerder heeft op 18 januari 2024 de naheffingsaanslag parkeerbelasting vernietigd.
4. De rechtbank stelt vast dat verweerder volledig aan eiser zijn bezwaar tegemoet is gekomen. Het geschil tussen eiser en verweerder houdt daardoor op te bestaan. Aangezien niet is gebleken van enig belang bij vernietiging van het bestreden besluit, moet het beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard.
5. Van een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.
6. Omdat verweerder aan het beroep is tegemoetgekomen, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoedt.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiser heeft betaald moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
A.C. van de Biesebos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
31 maart 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 augustus 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU1396.