Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-01-22
ECLI:NL:RBMNE:2025:201
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,004 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6144
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren, verweerder
(gemachtigde: mr. S.D. Wagenaar).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend op 27 september 2024 omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).
Op 16 oktober 2024 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft een reactie gegeven op het verweerschrift.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiseres heeft op 5 juli 2024 een verzoek om informatie op grond van de Woo (Woo-verzoek) ingediend. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op het verzoek. Dat staat in artikel 4.4, eerste lid, van de Woo. Bij brief van 10 juli 2024 heeft verweerder het verzoek bevestigd en verdaagd met twee weken op grond van artikel 4.4, tweede lid, van de Woo. Verweerder had dus uiterlijk 16 augustus 2024 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres verweerder op 30 augustus 2024 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken.
4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De standaardtermijn waarbinnen verweerder alsnog op het verzoek moet beslissen bedraagt in beginsel twee weken na deze uitspraak (artikel 8:55d, eerste lid, Awb). Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb).
5. Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 16 oktober 2024 verzocht om een langere beslistermijn en wel twaalf weken na verzending van de uitspraak. In het verweerschrift staat dat de reden dat er nog geen besluit is genomen, is gelegen in het zeer omvangrijke verzoek. Verder staat in het verweerschrift dat de verzameling van de potentiële documenten die onder de reikwijdte vallen in de afrondende fase is en dat er een start is gemaakt met het toepassen van de weigeringsgronden op die verzamelde sets documenten. Daarna zal aan de belanghebbenden om een zienswijze worden gevraagd en pas daarna kan een besluit worden genomen. Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 21 november 2024 laten weten dat er documenten zijn aangetroffen die binnen de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen waarop geheimhouding rust. Volgen verweerder zal een heroverweging van de geheimhouding door de gemeenteraad plaatsvinden op 12 februari 2024.
6. Op het moment dat de rechtbank deze uitspraak doet, zijn ruim drie maanden verstreken na indiening van het verweerschrift. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de beslistermijn vast te stellen op twaalf weken na verzending van deze uitspraak. Wel houdt de rechtbank er rekening mee dat belanghebbenden mogelijk nog zienswijzen willen indienen op de documenten waarop nu geheimhouding rust. De rechtbank stelt de beslistermijn daarom vast op vier weken na de heroverweging die plaats zal vinden op 12 februari 2024. Verweerder zal dus uiterlijk 12 maart 2025 een besluit moeten nemen op het Woo-verzoek van eiseres.
7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
8. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb).
9. Er zijn door eiseres geen proceskosten gemaakt die vergoed moeten worden.
10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres betalen.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op uiterlijk 12 maart 2025 alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiseres heeft betaald aan eiseres moet vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2025.
De griffier is verhinderd om rechter
deze uitspraak te ondertekenen
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6144
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren, verweerder
(gemachtigde: mr. S.D. Wagenaar).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend op 27 september 2024 omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).
Op 16 oktober 2024 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft een reactie gegeven op het verweerschrift.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiseres heeft op 5 juli 2024 een verzoek om informatie op grond van de Woo (Woo-verzoek) ingediend. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op het verzoek. Dat staat in artikel 4.4, eerste lid, van de Woo. Bij brief van 10 juli 2024 heeft verweerder het verzoek bevestigd en verdaagd met twee weken op grond van artikel 4.4, tweede lid, van de Woo. Verweerder had dus uiterlijk 16 augustus 2024 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres verweerder op 30 augustus 2024 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken.
4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De standaardtermijn waarbinnen verweerder alsnog op het verzoek moet beslissen bedraagt in beginsel twee weken na deze uitspraak (artikel 8:55d, eerste lid, Awb). Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb).
5. Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 16 oktober 2024 verzocht om een langere beslistermijn en wel twaalf weken na verzending van de uitspraak. In het verweerschrift staat dat de reden dat er nog geen besluit is genomen, is gelegen in het zeer omvangrijke verzoek. Verder staat in het verweerschrift dat de verzameling van de potentiële documenten die onder de reikwijdte vallen in de afrondende fase is en dat er een start is gemaakt met het toepassen van de weigeringsgronden op die verzamelde sets documenten. Daarna zal aan de belanghebbenden om een zienswijze worden gevraagd en pas daarna kan een besluit worden genomen. Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 21 november 2024 laten weten dat er documenten zijn aangetroffen die binnen de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen waarop geheimhouding rust. Volgen verweerder zal een heroverweging van de geheimhouding door de gemeenteraad plaatsvinden op 12 februari 2024.
6. Op het moment dat de rechtbank deze uitspraak doet, zijn ruim drie maanden verstreken na indiening van het verweerschrift. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de beslistermijn vast te stellen op twaalf weken na verzending van deze uitspraak. Wel houdt de rechtbank er rekening mee dat belanghebbenden mogelijk nog zienswijzen willen indienen op de documenten waarop nu geheimhouding rust. De rechtbank stelt de beslistermijn daarom vast op vier weken na de heroverweging die plaats zal vinden op 12 februari 2024. Verweerder zal dus uiterlijk 12 maart 2025 een besluit moeten nemen op het Woo-verzoek van eiseres.
7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
8. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb).
9. Er zijn door eiseres geen proceskosten gemaakt die vergoed moeten worden.
10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres betalen.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op uiterlijk 12 maart 2025 alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiseres heeft betaald aan eiseres moet vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2025.
De griffier is verhinderd om rechter
deze uitspraak te ondertekenen
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.