Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-04-29
ECLI:NL:RBMNE:2025:1972
Civiel recht; Arbeidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
9,226 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11548659 \ UE VERZ 25-37
Beschikking van 29 april 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap
[verzoekster] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. M.G. Blokziel,
tegen
[verweerder]
,
wonend in [woonplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. H.A. van Dalsen.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt [verzoekster] om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met
[verweerder] . [verzoekster] heeft het verzoek daarna ingetrokken. Het tegenverzoek van
[verweerder] om betaling van loon wordt gedeeltelijk toegewezen. Het verzoek van [verweerder] om een proceskostenveroordeling voor het verzoek en het tegenverzoek wordt toegewezen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met 17 producties
- het verweerschrift met 4 bijlagen,
- het aanvullend verweerschrift met een tegenverzoek
- de spreekaantekeningen van de zijde van [verzoekster]
- de mondelinge behandeling van 1 april 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 april 2025. Namens
[verzoekster] was aanwezig [A] , directeur, bijgestaan door mr. M.G. Blokziel, gemachtigde. [verweerder] was aanwezig met zijn echtgenote, bijgestaan door
mr. H.A. van Dalsen, gemachtigde. [verzoekster] heeft het ontbindingsverzoek tijdens de zitting ingetrokken. Aan het einde van de zitting is de beschikking bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
[verweerder] , geboren [geboortedatum] 1961 (63 jaar), is sinds 1 februari 2008 voor onbepaalde tijd in dienst bij (de rechtsvoorganger van) [verzoekster] als [functie] voor 38 uur per week. Het laatstgenoten salaris bedraagt € 5.762,06 bruto per maand exclusief 8% vakantiegeld en overige emolumenten. [verzoekster] volgt de cao voor Metaalnijverheid (de cao).
2.2.
[verweerder] heeft zich op 8 maart 2021 ziekgemeld met lichamelijke klachten.
[verweerder] heeft daarna voor [verzoekster] gewerkt in het kader van re-integratie. In het rapport van arbeidsdeskundige [B] van Elabo van 17 maart 2022 is geconcludeerd dat [verweerder] op dat moment niet geschikt is voor het eigen werk en dat het eigen werk niet volledig en structureel passend is te maken. [verweerder] werkte op dat moment gemiddeld
20 uur per week in aangepast eigen werk tegen 53% loonwaarde. Volgens [B] is er ander passend werk bij de eigen werkgever aanwezig en kan door het combineren van nieuwe taken en taken uit de eigen functie, een nieuwe functie voor werknemer worden gecreëerd (zie pagina 14 onder punt 6, productie 3 verzoekschrift). Volgens een opbouwschema zal [verweerder] vanaf 9 mei 2022 zijn volledige contracturen, 38 uur per week, kunnen werken (pagina 13, productie 3).
2.3.
In de periodieke evaluatie van de bedrijfsarts van 17 oktober 2022 staat dat
[verweerder] op dat moment 38 uur per week werkt in eigen werk en dat hij nog 5% staat ziekgemeld.
2.4.
[verweerder] heeft daarna een WIA-aanvraag ingediend. UWV heeft [verweerder] bij besluit van 28 maart 2023 per 6 maart 2023 een WIA-uitkering geweigerd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
2.5.
[verweerder] heeft ook na dit besluit voor [verzoekster] gewerkt in het (aangepaste) eigen werk.
2.6.
[verweerder] heeft zich op 5 juni 2024 volledig ziekgemeld bij [verzoekster] met burn-outklachten.
2.7.
[verzoekster] heeft de loonbetaling op 23 augustus 2024 gestopt, na een bericht van haar verzekeraar dat al sprake is geweest van 104 weken ziekte.
2.8.
Bij brief van 26 september 2024 heeft de gemachtigde van [verweerder] aan
[verzoekster] verzocht het salaris door te betalen omdat volgens [verweerder] per 5 juni 2024 een nieuwe loondoorbetalingsperiode bij ziekte is gaan lopen.
2.9.
Naar aanleiding van een door [verweerder] aangevraagde herkeuring heeft arbeidsdeskundige [C] van het UWV op 14 november 2024 een WIA-beoordeling verricht. Uit het arbeidsdeskundig rapport van [C] blijkt dat op 5 juni 2024 sprake is van beperkingen vanuit dezelfde ziekteoorzaak waarvoor eerder, per 6 maart 2023, een WIA-beoordeling had plaatsgevonden. Volgens arbeidsdeskundige [C] is [verweerder] ongeschikt voor zijn maatgevende arbeid, voldoet hij aan de 60+ regeling en is het arbeidsongeschiktheidspercentage 100%. Daarna heeft UWV [verweerder] een WIA-uitkering toegekend met ingang van 5 juni 2024.
2.10.
Bij besluit van 20 december 2024 heeft UWV op grond van de artikelen 7:669 en 7:671 Burgerlijk Wetboek (BW) de door [verzoekster] voor [verweerder] aangevraagde ontslagvergunning geweigerd. Volgens UWV volgt uit het arbeidskundig rapport van
14 november 2024 dat [verweerder] per einde wachttijd, 6 maart 2023, werkzaam was in eigen werk tegen 100% loonwaarde. Daarmee is het volgens UWV onvoldoende aannemelijk dat [verweerder] langer dan twee jaar ziek is voor het eigen werk en daarom niet aannemelijk dat het opzegverbod bij ziekte voorbij is.
2.11.
[verzoekster] heeft [verweerder] eind januari 2025 de aanvulling op de
WIA-uitkering op grond van de cao met terugwerkende kracht uitbetaald.
2.12.
Op 18 februari 2025 heeft [verzoekster] een ontbindingsverzoek ingediend.
2.13.
Op 12 maart 2025 heeft UWV een besluit gegeven over de berekening van de
WIA-uitkering van [verweerder] en het vanaf 5 juni 2024 tot en met 28 februari 2025 teveel ontvangen voorschot op de WIA-uitkering teruggevorderd van [verweerder] . Daarnaast heeft het UWV vanaf 1 maart 2025 het voorschot op de uitkering per maand verlaagd. Volgens UWV is [verzoekster] vanaf 5 juni 2024 verplicht de eerste 104 weken van ziekte het loon te betalen.
3Het verzoek en het tegenverzoek
het verzoek
3.1.
[verzoekster] heeft het ontbindingsverzoek ingetrokken. [verweerder] verzoekt om een proceskostenveroordeling vanwege het ingetrokken verzoek van [verzoekster] .
het tegenverzoek
3.2.
[verweerder] heeft een tegenverzoek gedaan. [verweerder] verzoekt [verzoekster] te veroordelen tot betaling van 100% van het salaris vanaf 23 augustus 2024 tot 5 december 2024 en tot betaling van 90% van het salaris vanaf 5 december 2024, te verhogen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, en betaling van een vergoeding van de buitengerechtelijke kosten.
3.3.
[verzoekster] voert hiertegen verweer. [verzoekster] stelt dat haar loondoorbetalingsverplichting is gestopt omdat zij [verweerder] al een periode van 104 weken het loon tijdens ziekte heeft betaald. Volgens [verzoekster] is [verweerder] na de ziekmelding steeds arbeidsongeschikt geweest.
Beoordeling
het verzoek
Proceskosten
4.1.
Op grond van artikel 289 Rv kan in de eindbeschikking een proceskostenveroordeling worden uitgesproken. Regel 1.4.8. van het Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbanken: kanton, handel en voorzieningenrechter bepaalt: “Zolang nog niet op het verzoekschrift is beslist, kan het verzoek worden ingetrokken. Als bij het verweer om een kostenveroordeling is gevraagd en dat verzoek na de intrekking wordt gehandhaafd, beslist de rechter op dat verzoek.”
4.2.
[verweerder] heeft tijdens de zitting – na de intrekking van het verzoek door [verzoekster] – haar verzoek om een kostenveroordeling gehandhaafd. [verzoekster] heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Omdat [verzoekster] het verzoekschrift pas op de zitting heeft ingetrokken, is de kantonrechter van oordeel dat [verweerder] de kosten voor zijn verweer nodeloos heeft gemaakt en dat er aanleiding bestaat [verzoekster] in de proceskosten veroordelen. Het verzoek van [verweerder] zal daarom worden toegewezen.
4.3.
De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 949,00 (€ 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
het tegenverzoek
4.4.
Over de tegenverzoeken van [verweerder] wordt het volgende overwogen.
Wettelijk kader
4.5.
Op grond van artikel 7:629 lid 1 BW behoudt de werknemer voor een tijdvak van 104 weken recht op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte daartoe verhinderd was.
Doorlopende arbeidsongeschiktheid vanaf 19 maart 2019?
4.6.
[verzoekster] heeft pas op de zitting gesteld dat de eerste ziektedag van [verweerder] 19 maart 2019 is en dat hij daarna steeds arbeidsongeschikt is geweest. [verzoekster] heeft daarvoor in de spreekaantekeningen verwezen naar een verzuimoverzicht van
[verweerder] waaruit blijkt dat hij vanaf 19 maart 2019 tot 5 juni 2024 steeds 100% of gedeeltelijk was ziek gemeld. Uit de overige door [verzoekster] overgelegde stukken, waaronder het arbeidskundig rapport van Elabo van 17 maart 2022 en de periodieke evaluatie van de bedrijfsarts van 17 oktober 2022, blijkt echter dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag 8 maart 2021 is. Zowel de arbeidsdeskundige als de bedrijfsarts gaan er dus vanuit dat 8 maart 2021 een (nieuwe) eerste ziektedag is en [verzoekster] deed dat in het verzoekschrift ook nog. Gelet daarop is er geen reden om aan te nemen dat voor de loonaanspraak op grond van artikel 7:629 BW moet worden uitgegaan van een tijdvak vanaf een eerdere eerste ziektedag. Dat [verzoekster] nu zonder enige toelichting stelt dat [verweerder] na 19 maart 2019 door [verzoekster] niet meer hersteld is gemeld, is onvoldoende om te concluderen dat bij het beoordelen of er sprake is van een loondoorbetalingsplicht van 19 maart 2019 als eerste ziektedag moet worden uitgegaan.
Doorlopende arbeidsongeschiktheid vanaf 8 maart 2021?
4.7.
[verweerder] lijkt zich in het verweerschrift (vierde bladzijde, bovenaan) primair op het standpunt te stellen dat vanaf 5 juni 2024 een nieuw tijdvak van 104 weken loondoorbetalingsplicht bij ziekte is aangevangen omdat hij vóór zijn ziekmelding op
5 juni 2024 hersteld was gemeld voor ‘de eigen bedongen arbeid’. Dat blijkt volgens
[verweerder] ook uit de periodieke evaluatie van de bedrijfsarts van november 2022 waarin staat dat hij momenteel volledige uren in het eigen werk werkt. Daarbij lijkt [verweerder] uit te gaan van de werkzaamheden die hij tot zijn eerste ziektedag op 8 maart 2021 heeft verricht.
4.8.
[verweerder] stelt subsidiair dat hij vanaf maart 2022 tot 5 juni 2024 een nieuw takenpakket heeft verricht dat hij probleemloos heeft uitgeoefend en dat dit takenpakket de bedongen arbeid is geworden. [verzoekster] heeft hem daarvoor 100% salaris betaald.
[verweerder] stelt dat hij de werkzaamheden die hij vanaf maart 2022 heeft verricht, grotendeels dezelfde werkzaamheden waren als de werkzaamheden die hij al eerder verrichtte. Uit het overzicht van zijn werkzaamheden in het verweerschrift blijkt dat [verweerder] al vanaf 2019 geen 24-uur-service meer deed en dat hij vanaf maart 2022 geen bedrijfsdeuren meer vervangt of monteert omdat dit te belastend was. Vanaf maart 2022 gaat [verweerder] wel op pad met nieuwe of leerlingmonteurs om zijn kennis over te dragen. De overige werkzaamheden (opnames, metingen voor offerte-trajecten, oplossing storingen, onderhoud en reparaties en nieuwe klanten werven), deed hij al voor maart 2022 en is hij daarna blijven doen.
4.9.
[verzoekster] heeft tijdens de zitting bevestigd dat dit alle wijzigingen in werkzaamheden zijn geweest. Volgens [verzoekster] leiden deze wijzigingen echter niet tot ander passend werk. [verzoekster] stelt dat zij het loon volledig heeft uitbetaald maar dat het verrichten van de werkzaamheden eigenlijk niet goed ging.
4.10.
De kantonrechter is van oordeel dat op 5 juni 2024 sprake is van een nieuwe eerste ziektedag en dat op 23 augustus 2024 het tijdvak van 104 weken loonbetalingsplicht bij ziekte nog niet voorbij was. Zowel als ervan wordt uitgegaan dat [verweerder] tussen oktober 2022 en juni 2024 zijn eigen werk heeft verricht als wanneer ervan wordt uitgegaan dat
[verweerder] in die periode aangepast werk heeft verricht. De kantonrechter licht dat hieronder toe.
Eigen werk
4.11.
Niet is weersproken door [verzoekster] dat [verweerder] in ieder geval vanaf oktober 2022 tot juni 2024, ruim anderhalf jaar, zijn volledige urenomvang heeft gewerkt en dat hij daarvoor 100% loon betaald heeft gekregen. Tussen partijen is niet duidelijk of de vanaf oktober 2022 volledig verrichtte werkzaamheden als het eigen werk of als aangepast eigen werk moet worden beschouwd. Uit het verzuimoverzicht van [verweerder] , waar
[verzoekster] in de spreekaantekeningen naar heeft verwezen, blijkt dat [verweerder] vanaf
3 oktober 2022 tot 5 juni 2024 onafgebroken voor 5% was ziek gemeld. Voor zover de werkzaamheden als het (ongewijzigde) eigen werk moet worden beschouwd, had [verzoekster] [verweerder] hiervoor al eerder hersteld moeten melden, waardoor op 5 juni 2024 sprake is van een nieuwe eerste ziektedag voor de bedongen arbeid. [verzoekster] heeft namelijk gesteld dat zij [verweerder] vanaf het verrichten van de volledige arbeidsomvang als 5% ziekgemeld heeft gehouden op advies van de arbodienst. Niet is gesteld of gebleken dat daarvoor een medische reden was. Zoals blijkt uit het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 maart 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:1985) kan dit arbeidsrechtelijk echter niet omdat de werkgever daarmee zelf kan bepalen of sprake is van een periode van meer dan vier weken van herstel in de zin van artikel 7:629 lid 10 BW en zij het ontstaan van een nieuwe verplichting tot loondoorbetaling van 104 weken kan verhinderen.
Aangepast werk
4.12.
Voor zover de door [verweerder] verrichtte werkzaamheden wel als aangepast werk beschouwd moeten worden, is dit werk de nieuwe bedongen arbeid geworden. De kantonrechter weegt daarvoor mee dat [verweerder] deze werkzaamheden een lange periode aaneengesloten heeft verricht zonder langdurige uitval, op een enkele week wegens griep na, zoals [verweerder] tijdens de zitting heeft gesteld.
Dictum
De kantonrechter
op het verzoek
5.1.
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoekster] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.2.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
op het tegenverzoek
5.3.
veroordeelt [verzoekster] tot betaling aan [verweerder] het achterstallig salaris van
€ 5.762,06 bruto per maand over de periode van 23 augustus 2024 tot 5 december 2024, verminderd met de voor deze periode reeds uitbetaalde aanvulling op grond van de cao, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na deze beschikking tot de dag van algehele voldoening,
5.4.
veroordeelt [verzoekster] tot betaling aan [verweerder] het (achterstallig) salaris van € 5.185,85 bruto per maand vanaf 5 december 2024 verminderd met de reeds uitbetaalde aanvulling op grond van de cao, tot de arbeidsongeschiktheid of de arbeidsovereenkomst eindigt en uiterlijk tot 5 juni 2026, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na deze beschikking en vervolgens vanaf de data van opeisbaarheid tot de dag van algehele voldoening,
5.5.
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 542,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoekster] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2025.
40160
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11548659 \ UE VERZ 25-37
Beschikking van 29 april 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap
[verzoekster] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. M.G. Blokziel,
tegen
[verweerder]
,
wonend in [woonplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. H.A. van Dalsen.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt [verzoekster] om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met
[verweerder] . [verzoekster] heeft het verzoek daarna ingetrokken. Het tegenverzoek van
[verweerder] om betaling van loon wordt gedeeltelijk toegewezen. Het verzoek van [verweerder] om een proceskostenveroordeling voor het verzoek en het tegenverzoek wordt toegewezen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met 17 producties
- het verweerschrift met 4 bijlagen,
- het aanvullend verweerschrift met een tegenverzoek
- de spreekaantekeningen van de zijde van [verzoekster]
- de mondelinge behandeling van 1 april 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 april 2025. Namens
[verzoekster] was aanwezig [A] , directeur, bijgestaan door mr. M.G. Blokziel, gemachtigde. [verweerder] was aanwezig met zijn echtgenote, bijgestaan door
mr. H.A. van Dalsen, gemachtigde. [verzoekster] heeft het ontbindingsverzoek tijdens de zitting ingetrokken. Aan het einde van de zitting is de beschikking bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
[verweerder] , geboren [geboortedatum] 1961 (63 jaar), is sinds 1 februari 2008 voor onbepaalde tijd in dienst bij (de rechtsvoorganger van) [verzoekster] als [functie] voor 38 uur per week. Het laatstgenoten salaris bedraagt € 5.762,06 bruto per maand exclusief 8% vakantiegeld en overige emolumenten. [verzoekster] volgt de cao voor Metaalnijverheid (de cao).
2.2.
[verweerder] heeft zich op 8 maart 2021 ziekgemeld met lichamelijke klachten.
[verweerder] heeft daarna voor [verzoekster] gewerkt in het kader van re-integratie. In het rapport van arbeidsdeskundige [B] van Elabo van 17 maart 2022 is geconcludeerd dat [verweerder] op dat moment niet geschikt is voor het eigen werk en dat het eigen werk niet volledig en structureel passend is te maken. [verweerder] werkte op dat moment gemiddeld
20 uur per week in aangepast eigen werk tegen 53% loonwaarde. Volgens [B] is er ander passend werk bij de eigen werkgever aanwezig en kan door het combineren van nieuwe taken en taken uit de eigen functie, een nieuwe functie voor werknemer worden gecreëerd (zie pagina 14 onder punt 6, productie 3 verzoekschrift). Volgens een opbouwschema zal [verweerder] vanaf 9 mei 2022 zijn volledige contracturen, 38 uur per week, kunnen werken (pagina 13, productie 3).
2.3.
In de periodieke evaluatie van de bedrijfsarts van 17 oktober 2022 staat dat
[verweerder] op dat moment 38 uur per week werkt in eigen werk en dat hij nog 5% staat ziekgemeld.
2.4.
[verweerder] heeft daarna een WIA-aanvraag ingediend. UWV heeft [verweerder] bij besluit van 28 maart 2023 per 6 maart 2023 een WIA-uitkering geweigerd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
2.5.
[verweerder] heeft ook na dit besluit voor [verzoekster] gewerkt in het (aangepaste) eigen werk.
2.6.
[verweerder] heeft zich op 5 juni 2024 volledig ziekgemeld bij [verzoekster] met burn-outklachten.
2.7.
[verzoekster] heeft de loonbetaling op 23 augustus 2024 gestopt, na een bericht van haar verzekeraar dat al sprake is geweest van 104 weken ziekte.
2.8.
Bij brief van 26 september 2024 heeft de gemachtigde van [verweerder] aan
[verzoekster] verzocht het salaris door te betalen omdat volgens [verweerder] per 5 juni 2024 een nieuwe loondoorbetalingsperiode bij ziekte is gaan lopen.
2.9.
Naar aanleiding van een door [verweerder] aangevraagde herkeuring heeft arbeidsdeskundige [C] van het UWV op 14 november 2024 een WIA-beoordeling verricht. Uit het arbeidsdeskundig rapport van [C] blijkt dat op 5 juni 2024 sprake is van beperkingen vanuit dezelfde ziekteoorzaak waarvoor eerder, per 6 maart 2023, een WIA-beoordeling had plaatsgevonden. Volgens arbeidsdeskundige [C] is [verweerder] ongeschikt voor zijn maatgevende arbeid, voldoet hij aan de 60+ regeling en is het arbeidsongeschiktheidspercentage 100%. Daarna heeft UWV [verweerder] een WIA-uitkering toegekend met ingang van 5 juni 2024.
2.10.
Bij besluit van 20 december 2024 heeft UWV op grond van de artikelen 7:669 en 7:671 Burgerlijk Wetboek (BW) de door [verzoekster] voor [verweerder] aangevraagde ontslagvergunning geweigerd. Volgens UWV volgt uit het arbeidskundig rapport van
14 november 2024 dat [verweerder] per einde wachttijd, 6 maart 2023, werkzaam was in eigen werk tegen 100% loonwaarde. Daarmee is het volgens UWV onvoldoende aannemelijk dat [verweerder] langer dan twee jaar ziek is voor het eigen werk en daarom niet aannemelijk dat het opzegverbod bij ziekte voorbij is.
2.11.
[verzoekster] heeft [verweerder] eind januari 2025 de aanvulling op de
WIA-uitkering op grond van de cao met terugwerkende kracht uitbetaald.
2.12.
Op 18 februari 2025 heeft [verzoekster] een ontbindingsverzoek ingediend.
2.13.
Op 12 maart 2025 heeft UWV een besluit gegeven over de berekening van de
WIA-uitkering van [verweerder] en het vanaf 5 juni 2024 tot en met 28 februari 2025 teveel ontvangen voorschot op de WIA-uitkering teruggevorderd van [verweerder] . Daarnaast heeft het UWV vanaf 1 maart 2025 het voorschot op de uitkering per maand verlaagd. Volgens UWV is [verzoekster] vanaf 5 juni 2024 verplicht de eerste 104 weken van ziekte het loon te betalen.
3Het verzoek en het tegenverzoek
het verzoek
3.1.
[verzoekster] heeft het ontbindingsverzoek ingetrokken. [verweerder] verzoekt om een proceskostenveroordeling vanwege het ingetrokken verzoek van [verzoekster] .
het tegenverzoek
3.2.
[verweerder] heeft een tegenverzoek gedaan. [verweerder] verzoekt [verzoekster] te veroordelen tot betaling van 100% van het salaris vanaf 23 augustus 2024 tot 5 december 2024 en tot betaling van 90% van het salaris vanaf 5 december 2024, te verhogen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, en betaling van een vergoeding van de buitengerechtelijke kosten.
3.3.
[verzoekster] voert hiertegen verweer. [verzoekster] stelt dat haar loondoorbetalingsverplichting is gestopt omdat zij [verweerder] al een periode van 104 weken het loon tijdens ziekte heeft betaald. Volgens [verzoekster] is [verweerder] na de ziekmelding steeds arbeidsongeschikt geweest.
Beoordeling
het verzoek
Proceskosten
4.1.
Op grond van artikel 289 Rv kan in de eindbeschikking een proceskostenveroordeling worden uitgesproken. Regel 1.4.8. van het Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbanken: kanton, handel en voorzieningenrechter bepaalt: “Zolang nog niet op het verzoekschrift is beslist, kan het verzoek worden ingetrokken. Als bij het verweer om een kostenveroordeling is gevraagd en dat verzoek na de intrekking wordt gehandhaafd, beslist de rechter op dat verzoek.”
4.2.
[verweerder] heeft tijdens de zitting – na de intrekking van het verzoek door [verzoekster] – haar verzoek om een kostenveroordeling gehandhaafd. [verzoekster] heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Omdat [verzoekster] het verzoekschrift pas op de zitting heeft ingetrokken, is de kantonrechter van oordeel dat [verweerder] de kosten voor zijn verweer nodeloos heeft gemaakt en dat er aanleiding bestaat [verzoekster] in de proceskosten veroordelen. Het verzoek van [verweerder] zal daarom worden toegewezen.
4.3.
De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 949,00 (€ 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
het tegenverzoek
4.4.
Over de tegenverzoeken van [verweerder] wordt het volgende overwogen.
Wettelijk kader
4.5.
Op grond van artikel 7:629 lid 1 BW behoudt de werknemer voor een tijdvak van 104 weken recht op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte daartoe verhinderd was.
Doorlopende arbeidsongeschiktheid vanaf 19 maart 2019?
4.6.
[verzoekster] heeft pas op de zitting gesteld dat de eerste ziektedag van [verweerder] 19 maart 2019 is en dat hij daarna steeds arbeidsongeschikt is geweest. [verzoekster] heeft daarvoor in de spreekaantekeningen verwezen naar een verzuimoverzicht van
[verweerder] waaruit blijkt dat hij vanaf 19 maart 2019 tot 5 juni 2024 steeds 100% of gedeeltelijk was ziek gemeld. Uit de overige door [verzoekster] overgelegde stukken, waaronder het arbeidskundig rapport van Elabo van 17 maart 2022 en de periodieke evaluatie van de bedrijfsarts van 17 oktober 2022, blijkt echter dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag 8 maart 2021 is. Zowel de arbeidsdeskundige als de bedrijfsarts gaan er dus vanuit dat 8 maart 2021 een (nieuwe) eerste ziektedag is en [verzoekster] deed dat in het verzoekschrift ook nog. Gelet daarop is er geen reden om aan te nemen dat voor de loonaanspraak op grond van artikel 7:629 BW moet worden uitgegaan van een tijdvak vanaf een eerdere eerste ziektedag. Dat [verzoekster] nu zonder enige toelichting stelt dat [verweerder] na 19 maart 2019 door [verzoekster] niet meer hersteld is gemeld, is onvoldoende om te concluderen dat bij het beoordelen of er sprake is van een loondoorbetalingsplicht van 19 maart 2019 als eerste ziektedag moet worden uitgegaan.
Doorlopende arbeidsongeschiktheid vanaf 8 maart 2021?
4.7.
[verweerder] lijkt zich in het verweerschrift (vierde bladzijde, bovenaan) primair op het standpunt te stellen dat vanaf 5 juni 2024 een nieuw tijdvak van 104 weken loondoorbetalingsplicht bij ziekte is aangevangen omdat hij vóór zijn ziekmelding op
5 juni 2024 hersteld was gemeld voor ‘de eigen bedongen arbeid’. Dat blijkt volgens
[verweerder] ook uit de periodieke evaluatie van de bedrijfsarts van november 2022 waarin staat dat hij momenteel volledige uren in het eigen werk werkt. Daarbij lijkt [verweerder] uit te gaan van de werkzaamheden die hij tot zijn eerste ziektedag op 8 maart 2021 heeft verricht.
4.8.
[verweerder] stelt subsidiair dat hij vanaf maart 2022 tot 5 juni 2024 een nieuw takenpakket heeft verricht dat hij probleemloos heeft uitgeoefend en dat dit takenpakket de bedongen arbeid is geworden. [verzoekster] heeft hem daarvoor 100% salaris betaald.
[verweerder] stelt dat hij de werkzaamheden die hij vanaf maart 2022 heeft verricht, grotendeels dezelfde werkzaamheden waren als de werkzaamheden die hij al eerder verrichtte. Uit het overzicht van zijn werkzaamheden in het verweerschrift blijkt dat [verweerder] al vanaf 2019 geen 24-uur-service meer deed en dat hij vanaf maart 2022 geen bedrijfsdeuren meer vervangt of monteert omdat dit te belastend was. Vanaf maart 2022 gaat [verweerder] wel op pad met nieuwe of leerlingmonteurs om zijn kennis over te dragen. De overige werkzaamheden (opnames, metingen voor offerte-trajecten, oplossing storingen, onderhoud en reparaties en nieuwe klanten werven), deed hij al voor maart 2022 en is hij daarna blijven doen.
4.9.
[verzoekster] heeft tijdens de zitting bevestigd dat dit alle wijzigingen in werkzaamheden zijn geweest. Volgens [verzoekster] leiden deze wijzigingen echter niet tot ander passend werk. [verzoekster] stelt dat zij het loon volledig heeft uitbetaald maar dat het verrichten van de werkzaamheden eigenlijk niet goed ging.
4.10.
De kantonrechter is van oordeel dat op 5 juni 2024 sprake is van een nieuwe eerste ziektedag en dat op 23 augustus 2024 het tijdvak van 104 weken loonbetalingsplicht bij ziekte nog niet voorbij was. Zowel als ervan wordt uitgegaan dat [verweerder] tussen oktober 2022 en juni 2024 zijn eigen werk heeft verricht als wanneer ervan wordt uitgegaan dat
[verweerder] in die periode aangepast werk heeft verricht. De kantonrechter licht dat hieronder toe.
Eigen werk
4.11.
Niet is weersproken door [verzoekster] dat [verweerder] in ieder geval vanaf oktober 2022 tot juni 2024, ruim anderhalf jaar, zijn volledige urenomvang heeft gewerkt en dat hij daarvoor 100% loon betaald heeft gekregen. Tussen partijen is niet duidelijk of de vanaf oktober 2022 volledig verrichtte werkzaamheden als het eigen werk of als aangepast eigen werk moet worden beschouwd. Uit het verzuimoverzicht van [verweerder] , waar
[verzoekster] in de spreekaantekeningen naar heeft verwezen, blijkt dat [verweerder] vanaf
3 oktober 2022 tot 5 juni 2024 onafgebroken voor 5% was ziek gemeld. Voor zover de werkzaamheden als het (ongewijzigde) eigen werk moet worden beschouwd, had [verzoekster] [verweerder] hiervoor al eerder hersteld moeten melden, waardoor op 5 juni 2024 sprake is van een nieuwe eerste ziektedag voor de bedongen arbeid. [verzoekster] heeft namelijk gesteld dat zij [verweerder] vanaf het verrichten van de volledige arbeidsomvang als 5% ziekgemeld heeft gehouden op advies van de arbodienst. Niet is gesteld of gebleken dat daarvoor een medische reden was. Zoals blijkt uit het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 maart 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:1985) kan dit arbeidsrechtelijk echter niet omdat de werkgever daarmee zelf kan bepalen of sprake is van een periode van meer dan vier weken van herstel in de zin van artikel 7:629 lid 10 BW en zij het ontstaan van een nieuwe verplichting tot loondoorbetaling van 104 weken kan verhinderen.
Aangepast werk
4.12.
Voor zover de door [verweerder] verrichtte werkzaamheden wel als aangepast werk beschouwd moeten worden, is dit werk de nieuwe bedongen arbeid geworden. De kantonrechter weegt daarvoor mee dat [verweerder] deze werkzaamheden een lange periode aaneengesloten heeft verricht zonder langdurige uitval, op een enkele week wegens griep na, zoals [verweerder] tijdens de zitting heeft gesteld.
Dictum
De kantonrechter
op het verzoek
5.1.
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoekster] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.2.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
op het tegenverzoek
5.3.
veroordeelt [verzoekster] tot betaling aan [verweerder] het achterstallig salaris van
€ 5.762,06 bruto per maand over de periode van 23 augustus 2024 tot 5 december 2024, verminderd met de voor deze periode reeds uitbetaalde aanvulling op grond van de cao, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na deze beschikking tot de dag van algehele voldoening,
5.4.
veroordeelt [verzoekster] tot betaling aan [verweerder] het (achterstallig) salaris van € 5.185,85 bruto per maand vanaf 5 december 2024 verminderd met de reeds uitbetaalde aanvulling op grond van de cao, tot de arbeidsongeschiktheid of de arbeidsovereenkomst eindigt en uiterlijk tot 5 juni 2026, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na deze beschikking en vervolgens vanaf de data van opeisbaarheid tot de dag van algehele voldoening,
5.5.
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 542,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoekster] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2025.
40160
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.