Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-04-29
ECLI:NL:RBMNE:2025:1955
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,360 tokens
Dictum
in de zaak van de officier van justitie tegen de ter beschikking gestelde:
[betrokkene] ,
geboren op [1994] in [geboorteplaats] ,
verblijvende in [verblijfplaats] ,
hierna te noemen: betrokkene.
1De stukken
De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken waaronder:
het vonnis van de meervoudige kamer van 22 augustus 2022 waarbij betrokkene (onder meer) ter beschikking is gesteld met voorwaarden, omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan (kort gezegd) opzettelijke brandstichting, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was ;
stukken waaruit blijkt dat de terbeschikkingstelling is ingegaan op 16 oktober 2022;
Dictum
het voortgangsverslag toezicht terbeschikkingstelling van 13 december 2024 over de periode van 16 juli 2024 tot 16 oktober 2024;
het voortgangsverslag toezicht terbeschikkingstelling van 3 februari 2025 over de periode van 16 oktober 2024 tot en met 16 januari 2025;
het advies van verslavingsreclassering GGZ Inforsa, opgemaakt door J. Post, van 14 maart 2025;
een bevel tot voorlopige verpleging van overheidswege van de rechter-commissaris van 17 maart 2025;
de vordering van de officier van justitie van 17 maart 2025, die strekt tot het alsnog verplegen van betrokkene van overheidswege, wat betekent dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden moet worden omgezet in een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege;
het advies van de verslavingsreclassering GGZ Inforsa, opgemaakt door N. van der Molen, van 31 maart 2025;
de overige stukken van het de betrokkene betreffende dossier.
2Het onderzoek ter terechtzitting
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 april 2025. Daarbij zijn gehoord:
- de officier van justitie, mr. S. Mirshahi;
- de betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman mr. A.J. Sprey, advocaat te Amsterdam;
- reclasseringswerker van verslavingsreclassering GGZ Inforsa Utrecht, N. van der Molen;
- reclasseringswerker van verslavingsreclassering GGZ Inforsa Utrecht, N. van Velzen.
3Het standpunt van de reclassering
Het standpunt van de reclassering blijkt uit het onder 1 genoemde rapport. De deskundige voornoemd heeft op de zitting het advies van de reclassering toegelicht.
In de afgelopen 6 maanden heeft betrokkene de voorwaarden ‘drugsverbod’, ‘meewerken aan reclasseringstoezicht’ en ‘opname in een zorginstelling’ veelvuldig overtreden. Daarbij is onder andere het herhaaldelijk weigeren van medicatie zeer zorgelijk, omdat betrokkene daardoor ontregelt en zijn gedrag onvoorspelbaar wordt. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat.
Het advies luidt de terbeschikkingstelling met voorwaarden om te zetten in verpleging van overheidswege.
4Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op de zitting de schriftelijke vordering gehandhaafd en gevorderd de betrokkene alsnog te verplegen van overheidswege. Dat betekent dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden volgens de officier van justitie moet worden omgezet in een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.
5Het standpunt van de verdediging
De verdediging kan zich vinden in de vordering van de officier van justitie. Omdat het voor betrokkene niet mogelijk was zich te houden aan de opgelegde voorwaarden, moet geprobeerd worden hem in het kader van de dwangverpleging de gewenste hulp te geven. De verdediging verzoekt de rechtbank in deze omzettingsbeslissing expliciet te vermelden dat het om een gemaximeerde terbeschikkingstelling gaat. Het vonnis van 22 augustus 2022 waarin de ter beschikkingstelling is opgelegd geeft hierover voor betrokkene niet de gewenste duidelijkheid.
Beoordeling
Maximering
Aan betrokkene is bij vonnis van 22 augustus 2022 de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden opgelegd. De rechtbank heeft in haar vonnis overwogen dat de maatregel kan worden omgezet naar dwangverpleging in het geval verdachte niet of onvoldoende meewerkt aan de opgelegde voorwaarden. In dat kader heeft de rechtbank opgemerkt dat de maatregel niet is opgelegd ter zake een geweldsmisdrijf. Hiermee wordt, naar het oordeel van de rechtbank die thans oordeelt over de vordering tot omzetting van de terbeschikkingstelling naar dwangverpleging, impliciet tot uitdrukking gebracht dat de totale duur van de terbeschikkingstelling is beperkt tot vier jaren. Met andere woorden: het gaat om een gemaximeerde terbeschikkingstelling.
Dwangverpleging
Artikel 6:6:10 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de rechtbank kan bevelen dat de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd, als een gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen dat eist. De rechtbank moet daarbij afwegen, onder meer in het licht van de proportionaliteit, of omzetting noodzakelijk is.
Ten tijde van de verlengingsbeslissing in oktober 2024 bestond de verwachting dat bij overtreden van de voorwaarden interveniëren meer zou opleveren dan direct sanctioneren. Dit is helaas niet uitgekomen. Na de wijziging van de voorwaarden in die zin, bij beslissing van 11 oktober 2024, heeft betrokkene de voorwaarden die aan de terbeschikkingstelling zijn verbonden vele malen overtreden. De rechtbank constateert dat betrokkene in de periode van 7 december 2024 tot en met 27 februari 2025 in strijd met de aanwijzingen van de reclassering veelvuldig softdrugs heeft gebruikt, meermalen medicatie (deels) heeft geweigerd, zich meermalen verbaal dreigend heeft geuit en zich heeft onttrokken tijdens begeleid verlof.
Aan betrokkene is bij vonnis van 22 augustus 2022 de maatregel terbeschikkingstelling opgelegd omdat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen dat eiste. Daarbij was de inschatting dat de kans op herhaling in voldoende mate kon worden ingeperkt met het stellen van voorwaarden. Het risico op recidive is sindsdien echter nauwelijks verlaagd. De noodzakelijk geachte behandeling ter beteugeling van dit risico is niet van de grond gekomen. De verwachting van alle deskundigen is dat dit bij voortzetting van de terbeschikkingstelling in de huidige vorm niet wezenlijk zal veranderen.
Omdat er sprake is van hoog recidivegevaar, er slechts zeer beperkte vorderingen zijn gemaakt en gebleken is dat het niet mogelijk is om vorm te geven aan de noodzakelijke behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden, acht de rechtbank het noodzakelijk alsnog de dwangverpleging van betrokkene te bevelen.
De rechtbank realiseert zich dat de noodzakelijke behandeling van betrokkene na deze beslissing voorlopig niet zal starten, gelet op de wachttijden voor een behandelplek in de tbs die in sommige gevallen kunnen oplopen tot meer dan anderhalf jaar. De officier van justitie heeft op de zitting bevestigd dat betrokkene daardoor vermoedelijk nog lange tijd als ‘passant’ in een penitentiaire inrichting (PI) zal moeten verblijven. In de PI vindt niet of nauwelijks behandeling plaats. Dat verdachten zo lang op een behandelplek moeten wachten is zeer onwenselijk en de rechtbank heeft daarvoor eerder al aandacht gevraagd (in haar vonnis van 18 maart 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:1154).
Omdat de termijn van de tbs met dwangverpleging gaat lopen vanaf de ingangsdatum van het voorlopige bevel tot verpleging en in de PI niet of nauwelijks behandeling plaatsvindt, zal de behandeling van betrokkene door de lange wachttijd worden uitgesteld tot het moment dat betrokkene in een tbs-kliniek kan worden geplaatst. Omdat het hier gaat om een gemaximeerde terbeschikkingstelling, betekent dit dat de behandelduur hierdoor onwenselijk lang wordt bekort. Als betrokkene inderdaad anderhalf jaar moet wachten op een plaatsing in een tbs-kliniek betekent dit immers dat van de maximale vier jaar die zijn tbs-maatregel mag duren nog maar tweeënhalf jaar resteert voor de behandeling. Die tijd is zeer beperkt en dit kan van invloed zijn op het succes van de behandeling en de resocialisatie van betrokkene. Hierdoor is er een kans aanwezig dat betrokkene uiteindelijk onvoldoende behandeld terugkeert in de maatschappij.
De rechtbank ziet, gelet op wat hiervoor is overwogen, echter geen andere optie dan de terbeschikkingstelling met voorwaarden om te zetten in een terbeschikkingstelling met dwangverpleging.
Dictum
De rechtbank:
- wijst toe de vordering tot omzetting van de terbeschikkingstelling met voorwaarden in terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege;
- beveelt dat [betrokkene] van overheidswege zal worden verpleegd.
Deze beslissing is genomen door mr. K. de Meulder, voorzitter, mrs. J.F. Haeck en L.L. Veendrick, rechters, in tegenwoordigheid van D.G.W. van de Haar-Kleijer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2025.