Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-02-21
ECLI:NL:RBMNE:2025:1943
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,437 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
Zaaknummer: UTR 23/3049
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 februari 2025 in de zaak tussen
mr. D.A.N. Bartels veronderstellenderwijs handelend namens, [eiseres] B.V. te [vestigingsplaats] , eiseres,
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. K.L. Vos).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend op 1 juni 2023 tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 19 mei 2023.
De zitting heeft middels een MSTeams verbinding plaatsgevonden op 27 januari 2024. Bartels en de gemachtigde van de heffingsambtenaar zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het beroep is veronderstellenderwijs door Bartels ingesteld namens [eiseres] B.V. Bij het beroepschrift is geen machtiging meegestuurd. In artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht staat dat een beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als het beroep niet voldoet aan de wettelijke vereisten. Voordat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard moet de indiener van het beroep wel in de gelegenheid zijn gesteld om het verzuim te herstellen.
2. De rechtbank heeft Bartels bij brief van 19 juli 2023 en 22 augustus 2023 in de gelegenheid gesteld om uiterlijk binnen vier weken een toereikende machtiging in te dienen waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om namens eiseres beroep in te stellen en in beroep op te treden. In deze brief staat dat als Bartels niet (tijdig) aan dit verzoek voldoet of uitstel vraagt, de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren. In reactie hierop heeft Bartels bij brief van 3 augustus 2023, ontvangen op 4 augustus 2023, een volmacht aan de rechtbank gestuurd. Deze volmacht is ondertekend door [A] op 5 april 2020. Op 22 augustus 2023 heeft de rechtbank Bartels in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken een machtiging toe te sturen die niet ouder is dan één jaar. Op 5 augustus 2024 heeft de rechtbank een machtiging ontvangen van [B] .
3. Uit de overgelegde machtiging kan niet worden opgemaakt dat [eiseres] B.V. Bartels machtigt om namens hem deze beroepsprocedure te voeren. Ter zitting heeft Bartels naar voren gebracht dat de machtiging in de b-stukken moet zitten. Vervolgens geeft Bartels aan dat hij de machtiging op 27 maart 2024 heeft laten ondertekenen en vorige week heeft laten bezorgen bij de rechtbank. Als laatst vroeg Bartels zich af waarom de griffier niet om een juiste machtiging heeft gevraagd.
4. De rechtbank heeft Bartels twee keer gevraagd om een toereikende machtiging op te sturen. De eerste aangeleverde machtiging was van 5 april 2020. Dit is een te oude machtiging. Een machtiging mag niet ouder zijn dan één jaar. De machtiging voldoet niet aan de wettelijke vereisten De machtiging ontvangen op 5 augustus 2024 is ruimschoots buiten de termijn ingediend. De rechtbank is van oordeel dat Bartels genoeg tijd heeft gehad om binnen de gestelde termijn het verzuim te herstellen. Daarnaast is [B] niet bevoegd om Bartels te machtigen namens [eiseres] B.V. Dat betekent dat er in deze beroepsprocedure geen toereikende machtiging is overgelegd, terwijl Bartels wel in de gelegenheid is gesteld om dat verzuim te herstellen. De rechtbank komt dus niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
5. Het beroep is niet-ontvankelijk.
De overschrijding van de redelijke termijn
6. Bartels heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure over de belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat [eiseres] B.V. beroep wenste in te stellen en een procedure wilde starten. Om die reden kan ook niet worden vastgesteld dat [eiseres] B.V. immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af.
8. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft de rechtbank verzocht om eiseres in de proceskosten te veroordelen. De heffingsambtenaar beroept zich daarbij op het arrest van gerechtshof Den Haag van 16 januari 2024, waarin het gerechtshof de uitspraak van rechtbank Rotterdam heeft bekrachtigd waarin die rechtbank aanleiding zag om deze gemachtigde van eiseres in een procedure van een andere cliënt vanwege zijn procesgedrag in de proceskosten te veroordelen. De heffingsambtenaar wijst op soortgelijk procesgedrag van de gemachtigde van eiseres in deze zaak.
9. De rechtbank gaat daar niet in mee. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen partijen in de proceskosten veroordeeld kunnen worden. De gemachtigde van eiseres kan dus niet zelf veroordeeld worden in de proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is uitgesproken op 21 februari 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
ECLI:NL:GHDHA:2024:138