Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-02-21
ECLI:NL:RBMNE:2025:1942
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,188 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
Zaaknummer: UTR 23/2620
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 februari 2025 in de zaak tussen
mr. D.A.N. Bartels veronderstellenderwijs handelend namens, [eiser] te [woonplaats] , eiser,
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. K.L. Vos).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend op 2 juni 2023 tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 24 mei 2023.
De zitting heeft middels een MSTeams verbinding plaatsgevonden op 27 januari 2024. Bartels en de gemachtigde van de heffingsambtenaar zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het beroep is veronderstellenderwijs door Bartels ingesteld namens [eiser] . Bij het beroepschrift is geen machtiging meegestuurd. In artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht staat dat een beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als het beroep niet voldoet aan de wettelijke vereisten. Voordat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard moet de indiener van het beroep wel in de gelegenheid zijn gesteld om het verzuim te herstellen.
2. De rechtbank heeft Bartels, bij brief van 20 juni 2023, 19 februari 2024 en 22 maart 2024, in de gelegenheid gesteld om uiterlijk binnen vier weken een toereikende machtiging in te dienen waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om namens eiser beroep in te stellen en in beroep op te treden. In deze brief staat dat als Bartels niet (tijdig) aan dit verzoek voldoet of uitstel vraagt, de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren. In reactie hierop heeft Bartels bij brief van 21 juni 2023, een volmacht aan de rechtbank gestuurd. Deze volmacht is ondertekend door [eiser] op 10 mei 2022. Op 19 februari 2024 heeft de rechtbank Bartels nogmaals in de gelegenheid gesteld om een machtiging toe te sturen die niet ouder is dan één jaar. Hierop heeft Bartels niet gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank op 22 maart 2024 weer verzocht om een machtiging niet ouder dan één jaar.
Op 9 april 2024 heeft de rechtbank een machtiging ontvangen van [A] . Deze machtiging is niet juist.
3. De rechtbank kan aan de hand van de overgelegde machtiging niet vaststellen dat Bartels bevoegd is om namens [eiser] beroep in te stellen. Ter zitting heeft Bartels naar voren gebracht dat de rechtbank zaken door elkaar heen haalt. Vervolgens gaf Bartels aan dat de machtiging van deze zaak in een ander dossier zou moeten zitten. Als laatste gaf Bartels aan dat het bezwaarschrift ongegrond is verklaard en de machtiging daarom wel tussen de b-stukken zou moeten zitten.
4. In de aangeleverde gedingstukken van verweerder is er geen machtiging van [eiser] aanwezig. De rechtbank heeft Bartels drie keer gevraagd om een toereikende machtiging op te sturen. De rechtbank is van oordeel dat Bartels genoeg tijd heeft gehad om binnen de gestelde termijn het verzuim te herstellen. De door Bartels overgelegde machtiging is van een ander persoon dan [eiser] . Dat betekent dat er in deze beroepsprocedure geen toereikende machtiging is overgelegd, terwijl Bartels wel in de gelegenheid is gesteld om dat verzuim te herstellen. De rechtbank komt dus niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
5. Het beroep is niet-ontvankelijk.
De overschrijding van de redelijke termijn
6. Bartels heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure over de belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat [eiser] beroep wenste in te stellen en een procedure wilde starten. Om die reden kan ook niet worden vastgesteld dat [eiser] immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is uitgesproken op 21 februari 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.