Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-01-31
ECLI:NL:RBMNE:2025:191
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,207 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2629
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 januari 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. B.A.M. Slockers),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder.
Overwegingen
1. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft op 22 februari 2024 een beslissing op bezwaar genomen. Verzoekster is op 14 maart 2024 hiertegen in beroep gegaan. Op 3 september 2024 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. In het verweerschrift heeft verweerder een compromis voorstel aan verzoekster gedaan over de WOZ-waarde. Verzoekster is akkoord gegaan met het compromis en heeft het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoekster wilde.
4. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld binnen twee weken te reageren op het verzoek om veroordeling van de proceskosten. Verweerder heeft op 28 oktober 2024 gereageerd op het verzoek van verzoekster. Verweerder is het niet eens met het standpunt van verzoekster dat een forfaitaire vergoeding van 1 punt van toepassing is. Verweerder stelt zich op het standpunt dat een wegingsfactor van 0,25 voor de bezwaar- en beroepsfase toepasselijk is.
5. De rechtbank bepaalt de wegingsfactor voor de proceskosten overeenkomstig haar uitgangspunten. De rechtbank heeft kennis genomen van het arrest van de enkelvoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 oktober 2024, maar ziet daarin geen aanleiding om deze uitgangspunten te verlaten. Met dat arrest is de uitspraak van deze rechtbank waarin die uitgangspunten zijn geformuleerd weliswaar vernietigd, maar dat is gebeurd op andere gronden dan op grond van een inhoudelijke toetsing van de lijn van de rechtbank. De rechtbank berekent de vergoeding dus als volgt.
6. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde van verzoekster heeft een beroepschrift ingediend. Omdat hij gebruik maakt van een gestandaardiseerde werkwijze en het om een woning gaat, heeft de zaak een zeer licht gewicht. De rechtbank past daarom de wegingsfactor 0,25 toe. De totale vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in beroep bedraagt daarmee € 226,75.
7. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.
8. Verder wijst de rechtbank erop dat de heffingsambtenaar op grond van artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ de in deze uitspraak toegekende proceskosten en het griffierecht uitsluitend mag uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van verzoekster. Voor dit artikel geldt geen overgangsrecht.
Dictum
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 226,75 aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
J.M.J. Kooistra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Rechtbank Midden-Nederland 4 september 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:4481.
ECLI:NL:GHARL:2024:6146.