Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-03-18
ECLI:NL:RBMNE:2025:1746
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
9,974 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16.115537.23 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 18 maart 2025
in de strafzaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] ,
hierna: verdachte.
1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 maart 2025. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. G. Alagahgi en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W.B. Lisi, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.
2TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd en als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
op 5 mei 2023 te Maarssen , tezamen en in vereniging, verfspuiten, schuurmachines, stofzuigers, gereedschap, een mixer en verf van aangever [aangever] heeft weggenomen door middel van een valse sleutel.
3VOORVRAGEN
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Dat betekent dat de rechtbank de zaak inhoudelijk kan behandelen.
4WAARDERING VAN HET BEWIJS
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend te bewijzen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering omdat het onderzoek naar de telefoon van verdachte heeft plaatsgevonden zonder de daarvoor vereiste machtiging van de rechter-commissaris of officier van justitie. De raadsman heeft aangevoerd dat dit vormverzuim tot bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering zou moeten leiden. Subsidiair heeft de raadsman vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit vanwege onvoldoende bewijs.
4.3
Beoordeling
4.3.1.
Bewijsmiddelen
Proces-verbaal van aangifte door [aangever] d.d. 6 mei 2023 (pagina 44 e.v.), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 5 mei 2023 tussen 02.50 en 03.10 uur is er ingebroken in mijn bedrijf " [bedrijf] BV", gevestigd op [adres 2] in [plaats] . In mijn bedrijf lagen goederen waarvan ik eigenaar ben. Ook lagen er goederen in het pand van [A] en [B] . Goederen van [B] : verfspuit en los gereedschap. Goederen van [A] : verfspuit, schuurmachine en stofzuiger. Goederen van mij: schuurmachine, verfspuit, stofzuiger met schuurmachine, mixer en een pallet met verf. Op de beelden zag ik 4 personen, één pakt de sleutel, verstopt in een riggel. [C ] heeft bij mij gewerkt en kende de plek waar de sleutel ligt. Ik zei tegen [C ] dat hij een kans kreeg om alles terug te geven. [C ] stiefvader heet ' [D] '. Ik hoorde dat [D] zei: "Ik heb wat spullen die van jou zijn en de jongens die bij de inbraak horen". Ik zag dat [D] de twee jongens de auto uit trok. Ik ben met de twee jongens (de rechtbank begrijpt: verdachte en medeverdachte [medeverdachte] ) naar binnen gegaan. Alles wat er in de woning is verteld door de twee jongens is opgenomen.
Proces-verbaal van bevindingen (aantreffen gestolen goederen) d.d. 6 mei 2023 (p. 56 e.v.), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 05-05-2023 om 16:53 uur werden [medeverdachte] en [verdachte] gecontroleerd in De Bilt. In de Greenwheelsauto met kenteken [kenteken] waarin zij zaten, lag allemaal gereedschap.
Proces-verbaal van bevindingen (camerabeelden van het tankstation) d.d. 4 september 2023 (pagina 263 e.v.), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik zag dat het fragment liep van 05-05-2023, 03:36:00 uur tot 05-05-2023, 03:37:00 uur. Ik zag een auto aan komen rijden, een rode stationwagen van Greenwheels. Ik zag dat er drie personen uitstapten. Ik herkende [medeverdachte] als de bijrijder. Ik herkende [verdachte] als de jongen die achterin zat.
Proces-verbaal van bevindingen (transcript van een geluidsopname) d.d. 8 september 2023 (pagina 220 e.v.), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 11 mei 2023 ontving ik van aangever geluidsopnamen, gemaakt met de telefoon van zijn vrouw. Op de opname is het gesprek te horen met [medeverdachte] en [verdachte] . : Ze hebben ons nog staande gehouden met jullie spullen in de kofferbak.[verdachte] : Wij hebben er niet eens wat aan verdiend.
[medeverdachte] : Wij zouden die spullen verkopen. Die spuiten.
[medeverdachte] : Ik ben mannelijk genoeg toe te geven dat ik fout zat, dat ik het heb gedaan.
[verdachte] . Ze konden ons zo vinden. We hebben heel de dag rondgereden in die auto.
[medeverdachte] : Pik. Je bent nu elke keer aan het verklachten tegen deze mevrouw.
[verdachte] : Ja man. Ze weet toch al dat wij het waren. We staan op beelden.
Proces-verbaal van bevindingen (onderzoek telefoon verdachte) d.d. 1 juni 2023 (p. 267 e.v.), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik bekeek de locaties van de telefoon die onder [verdachte] in beslag was genomen:
03.00.59
uur: [adres 3] te [plaats] .
Proces-verbaal van bevindingen (GPS-locatie van de Greenwheels auto) d.d. 8 september 2023 (p. 229 e.v.), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
GPS-locatie van 5-5-2023 voor voertuig [kenteken] : 02.51 uur: [adres 3] te [plaats] .
4.3.2.
Bewijsoverwegingen
Vormverzuim
Er is door de raadsman naar voren gebracht dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering omdat het onderzoek naar de telefoon van verdachte heeft plaatsgevonden zonder de daarvoor vereiste machtiging van de rechter-commissaris of officier van justitie. De raadsman heeft gesteld dat dit vormverzuim een vergaande inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van verdachte, waarvan verdachte nadeel heeft ondervonden en die tot consequentie zou moeten hebben dat de informatie die door het onderzoek is verkregen, wordt uitgesloten van het bewijs.
De rechtbank beoordeelt dit verweer als volgt. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de algemene bevoegdheden zoals neergelegd in de artikelen 94, 95 en 96 van het Wetboek van Strafvordering onvoldoende wettelijke grondslag bieden voor onderzoeken naar privacygevoelige gegevensdragers (zoals een telefoon). De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer die zulke onderzoeken met zich (kunnen) brengen, is enkel gerechtvaardigd als er toestemming is van de rechter-commissaris of officier van justitie.
In dit geval is deze toestemming niet gegeven, waardoor de rechtbank met de raadsman van oordeel is dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal echter volstaan met de constatering van dit vormverzuim en daaraan geen consequenties verbinden. Daarbij weegt de rechtbank mee dat nergens uit blijkt dat door het onderzoek een min of meer compleet beeld van het persoonlijke leven van verdachte is verkregen. Er heeft een beperkt onderzoek plaatsgevonden: door de politie is in de telefoon slechts gezocht naar locatiegegevens, foto’s en communicatiegegevens van de dagen rondom de bedrijfsinbraak. Bovendien heeft de officier van justitie ter terechtzitting aangegeven dat zij toestemming zou hebben gegeven voor het onderzoek naar de telefoon als dat haar gevraagd zou zijn. Eventueel geleden nadeel van het vormverzuim, dat door de verdediging overigens onvoldoende is geconcretiseerd, zou ook in dat geval door verdachte geleden zijn.
Concluderend is de rechtbank daarom van oordeel dat er sprake is geweest van een geringe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, waardoor kan worden volstaan met de constatering van het vormverzuim en geen bewijsuitsluiting of strafvermindering aan de orde is.
Bedrijfsinbraak
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat er op 5 mei 2023 een bedrijfsinbraak is gepleegd waarbij een rode Greenwheelsauto betrokken is geweest. Op de camerabeelden van een tankstation in Nieuwegein is te zien dat verdachte - 25 minuten nadat de bedrijfsinbraak is gepleegd - samen met de medeverdachten uit een rode Greenwheelsauto stapt. Daarnaast blijkt uit een proces-verbaal van een controle van de politie in combinatie met het transcript van het gesprek tussen verdachte, medeverdachte [medeverdachte] en de vrouw van aangever dat de gestolen goederen bij verdachte en zijn medeverdachten in de Greenwheelsauto met kenteken [kenteken] lagen, op het moment dat zij werden gecontroleerd door de politie later die dag.
Uit de locatiegegevens van de Greenwheelsauto blijkt dat deze auto zich ten tijde van de inbraak bevond op [adres 3] in [woonplaats] , vrijwel naast het bedrijf waar de inbraak is gepleegd.
Beoordeling
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van een bedrijfsinbraak. Hij heeft op professionele wijze, samen met anderen, waardevolle goederen buitgemaakt. Bij de inbraak is een grote hoeveelheid schildergereedschappen weggenomen. De ervaring leert dat een bedrijf bij een dergelijke bedrijfsinbraak ernstig in zijn bedrijfsvoering wordt geraakt. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij niet bezig is geweest met de overlast en de schade die hij heeft veroorzaakt, maar kennelijk alleen oog heeft gehad voor zijn eigen financiële gewin. Hij heeft ook geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag.
Persoonlijke omstandigheden
Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het uittreksel justitiële documentatie (het strafblad) van verdachte van 17 januari 2025. Hieruit blijkt dat hij eerder een strafbeschikking heeft gekregen, maar niet voor een vermogensfeit. De rechtbank weegt het strafblad daarom niet in strafverminderende of strafverzwarende zin mee. Daarnaast lijkt verdachte zijn leven inmiddels beter op de rit te hebben dan ten tijde van de inbraak: hij heeft een baan bij een restaurant, hij blowt niet meer en hij is gestopt met gokken.
Strafoplegging
De rechtbank stelt vast dat de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting bij een bedrijfsinbraak (zonder recidive) uitgaan van een taakstraf van 120 uur. In dit geval is er echter sprake van strafverzwarende omstandigheden: de inbraak is in vereniging gepleegd en de waarde van de gestolen goederen is hoog. Dat maakt dat de rechtbank van oordeel is dat een hogere taakstraf op zijn plaats is. De rechtbank zal verdachte daarom, conform de eis van de officier van justitie, veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 150 uur (met aftrek van het voorarrest). Indien verdachte deze taakstraf niet of niet naar behoren verricht, staan daar 75 dagen vervangende hechtenis tegenover. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen, geldt met betrekking tot het onherstelbare vormverzuim, dat kan worden volstaan met de constatering ervan en dat strafvermindering niet aan de orde is.
9BENADEELDE PARTIJ
[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd en vordert een bedrag van 24.711,56 euro (materiële schade), ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.
9.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om - met gebruikmaking van haar schattingsbevoegdheid - in elk geval een bedrag van 20.000 euro hoofdelijk toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
9.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering onvoldoende onderbouwd is, waardoor deze dient te worden afgewezen.
9.3
Beoordeling
Er staat vast dat aan de benadeelde partij [aangever] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Niettemin zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, omdat de vordering onvoldoende onderbouwd is en de omvang van de schade door de verdediging gemotiveerd is betwist. Uit de aangifte komt naar voren dat de gestolen goederen niet alleen aan de benadeelde partij, maar ook aan twee andere personen toebehoorden. Voor de rechtbank is niet zonder meer duidelijk of de in de vordering genoemde goederen aan de benadeelde partij toebehoorden of aan die twee andere personen, en of de benadeelde partij - indien dat laatste het geval is - ook namens de andere eigenaren gerechtigd is om schade te verhalen.
Als ervan zou worden uitgegaan dat de benadeelde partij eigenaar van alle gestolen goederen is of gerechtigd is om de schade te verhalen namens een of meer anderen, is het op basis van de informatie waarover de rechtbank beschikt niet mogelijk om de omvang van de schade vast te stellen. Er is weliswaar een offerte bij de vordering gevoegd, maar er zijn geen aankoopbewijzen overgelegd, noch informatie verschaft over bijvoorbeeld het moment van aankoop zodat de rechtbank kan bepalen wat de waarde van die goederen was op het moment dat ze werden gestolen. De rechtbank is van oordeel dat het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om de schadeposten alsnog nader te onderbouwen, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid dan ook niet bieden. De rechtbank zal ook geen gebruikmaken van haar bevoegdheid om de schade te schatten, omdat zij onvoldoende aanknopingspunten heeft om een schatting op te baseren.
De benadeelde partij kan de vordering nog wel aanbrengen bij de burgerlijke rechter, want dat er schade is geleden, staat voor de rechtbank op grond van de hierboven gebezigde bewijsmiddelen vast. Omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard, zal hij in de kosten van verdachte worden veroordeeld voor zover deze betrekking hebben op het verweer tegen de vordering. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.
10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde feit bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
Strafbaarheid
verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 uren;
beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 75 dagen hechtenis;
bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;
Benadeelde partij
verklaart [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.C. Klink, voorzitter, mr. L.E. Verschoor-Bergsma en mr. I.G.C. Bij de Vaate, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Besselink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 maart 2025.
Bijlage: de gewijzigde tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 5 mei 2023 te Maarssen , gemeente Stichtse Vecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere verfspuit(en) en/of schuurmachine(s) en/of stofzuiger(s) en/of gereedschap en/of mixer(s) en/of verf, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] en/of een of meer anderen, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak/verbreking/inklimming en/of valse sleutel.
Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 15 februari 2024, genummerd PL0900-2023133742, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met 398. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
p. 44
p. 45.
p. 44
p. 45
p. 46.
p. 58.
p. 263.
p. 220
p. 221
p. 223
p. 225
p. 226.
p. 267.
p. 229.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16.115537.23 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 18 maart 2025
in de strafzaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] ,
hierna: verdachte.
1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 maart 2025. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. G. Alagahgi en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W.B. Lisi, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.
2TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd en als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
op 5 mei 2023 te Maarssen , tezamen en in vereniging, verfspuiten, schuurmachines, stofzuigers, gereedschap, een mixer en verf van aangever [aangever] heeft weggenomen door middel van een valse sleutel.
3VOORVRAGEN
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Dat betekent dat de rechtbank de zaak inhoudelijk kan behandelen.
4WAARDERING VAN HET BEWIJS
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend te bewijzen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering omdat het onderzoek naar de telefoon van verdachte heeft plaatsgevonden zonder de daarvoor vereiste machtiging van de rechter-commissaris of officier van justitie. De raadsman heeft aangevoerd dat dit vormverzuim tot bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering zou moeten leiden. Subsidiair heeft de raadsman vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit vanwege onvoldoende bewijs.
4.3
Beoordeling
4.3.1.
Bewijsmiddelen
Proces-verbaal van aangifte door [aangever] d.d. 6 mei 2023 (pagina 44 e.v.), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 5 mei 2023 tussen 02.50 en 03.10 uur is er ingebroken in mijn bedrijf " [bedrijf] BV", gevestigd op [adres 2] in [plaats] . In mijn bedrijf lagen goederen waarvan ik eigenaar ben. Ook lagen er goederen in het pand van [A] en [B] . Goederen van [B] : verfspuit en los gereedschap. Goederen van [A] : verfspuit, schuurmachine en stofzuiger. Goederen van mij: schuurmachine, verfspuit, stofzuiger met schuurmachine, mixer en een pallet met verf. Op de beelden zag ik 4 personen, één pakt de sleutel, verstopt in een riggel. [C ] heeft bij mij gewerkt en kende de plek waar de sleutel ligt. Ik zei tegen [C ] dat hij een kans kreeg om alles terug te geven. [C ] stiefvader heet ' [D] '. Ik hoorde dat [D] zei: "Ik heb wat spullen die van jou zijn en de jongens die bij de inbraak horen". Ik zag dat [D] de twee jongens de auto uit trok. Ik ben met de twee jongens (de rechtbank begrijpt: verdachte en medeverdachte [medeverdachte] ) naar binnen gegaan. Alles wat er in de woning is verteld door de twee jongens is opgenomen.
Proces-verbaal van bevindingen (aantreffen gestolen goederen) d.d. 6 mei 2023 (p. 56 e.v.), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 05-05-2023 om 16:53 uur werden [medeverdachte] en [verdachte] gecontroleerd in De Bilt. In de Greenwheelsauto met kenteken [kenteken] waarin zij zaten, lag allemaal gereedschap.
Proces-verbaal van bevindingen (camerabeelden van het tankstation) d.d. 4 september 2023 (pagina 263 e.v.), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik zag dat het fragment liep van 05-05-2023, 03:36:00 uur tot 05-05-2023, 03:37:00 uur. Ik zag een auto aan komen rijden, een rode stationwagen van Greenwheels. Ik zag dat er drie personen uitstapten. Ik herkende [medeverdachte] als de bijrijder. Ik herkende [verdachte] als de jongen die achterin zat.
Proces-verbaal van bevindingen (transcript van een geluidsopname) d.d. 8 september 2023 (pagina 220 e.v.), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 11 mei 2023 ontving ik van aangever geluidsopnamen, gemaakt met de telefoon van zijn vrouw. Op de opname is het gesprek te horen met [medeverdachte] en [verdachte] . : Ze hebben ons nog staande gehouden met jullie spullen in de kofferbak.[verdachte] : Wij hebben er niet eens wat aan verdiend.
[medeverdachte] : Wij zouden die spullen verkopen. Die spuiten.
[medeverdachte] : Ik ben mannelijk genoeg toe te geven dat ik fout zat, dat ik het heb gedaan.
[verdachte] . Ze konden ons zo vinden. We hebben heel de dag rondgereden in die auto.
[medeverdachte] : Pik. Je bent nu elke keer aan het verklachten tegen deze mevrouw.
[verdachte] : Ja man. Ze weet toch al dat wij het waren. We staan op beelden.
Proces-verbaal van bevindingen (onderzoek telefoon verdachte) d.d. 1 juni 2023 (p. 267 e.v.), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik bekeek de locaties van de telefoon die onder [verdachte] in beslag was genomen:
03.00.59
uur: [adres 3] te [plaats] .
Proces-verbaal van bevindingen (GPS-locatie van de Greenwheels auto) d.d. 8 september 2023 (p. 229 e.v.), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
GPS-locatie van 5-5-2023 voor voertuig [kenteken] : 02.51 uur: [adres 3] te [plaats] .
4.3.2.
Bewijsoverwegingen
Vormverzuim
Er is door de raadsman naar voren gebracht dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering omdat het onderzoek naar de telefoon van verdachte heeft plaatsgevonden zonder de daarvoor vereiste machtiging van de rechter-commissaris of officier van justitie. De raadsman heeft gesteld dat dit vormverzuim een vergaande inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van verdachte, waarvan verdachte nadeel heeft ondervonden en die tot consequentie zou moeten hebben dat de informatie die door het onderzoek is verkregen, wordt uitgesloten van het bewijs.
De rechtbank beoordeelt dit verweer als volgt. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de algemene bevoegdheden zoals neergelegd in de artikelen 94, 95 en 96 van het Wetboek van Strafvordering onvoldoende wettelijke grondslag bieden voor onderzoeken naar privacygevoelige gegevensdragers (zoals een telefoon). De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer die zulke onderzoeken met zich (kunnen) brengen, is enkel gerechtvaardigd als er toestemming is van de rechter-commissaris of officier van justitie.
In dit geval is deze toestemming niet gegeven, waardoor de rechtbank met de raadsman van oordeel is dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal echter volstaan met de constatering van dit vormverzuim en daaraan geen consequenties verbinden. Daarbij weegt de rechtbank mee dat nergens uit blijkt dat door het onderzoek een min of meer compleet beeld van het persoonlijke leven van verdachte is verkregen. Er heeft een beperkt onderzoek plaatsgevonden: door de politie is in de telefoon slechts gezocht naar locatiegegevens, foto’s en communicatiegegevens van de dagen rondom de bedrijfsinbraak. Bovendien heeft de officier van justitie ter terechtzitting aangegeven dat zij toestemming zou hebben gegeven voor het onderzoek naar de telefoon als dat haar gevraagd zou zijn. Eventueel geleden nadeel van het vormverzuim, dat door de verdediging overigens onvoldoende is geconcretiseerd, zou ook in dat geval door verdachte geleden zijn.
Concluderend is de rechtbank daarom van oordeel dat er sprake is geweest van een geringe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, waardoor kan worden volstaan met de constatering van het vormverzuim en geen bewijsuitsluiting of strafvermindering aan de orde is.
Bedrijfsinbraak
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat er op 5 mei 2023 een bedrijfsinbraak is gepleegd waarbij een rode Greenwheelsauto betrokken is geweest. Op de camerabeelden van een tankstation in Nieuwegein is te zien dat verdachte - 25 minuten nadat de bedrijfsinbraak is gepleegd - samen met de medeverdachten uit een rode Greenwheelsauto stapt. Daarnaast blijkt uit een proces-verbaal van een controle van de politie in combinatie met het transcript van het gesprek tussen verdachte, medeverdachte [medeverdachte] en de vrouw van aangever dat de gestolen goederen bij verdachte en zijn medeverdachten in de Greenwheelsauto met kenteken [kenteken] lagen, op het moment dat zij werden gecontroleerd door de politie later die dag.
Uit de locatiegegevens van de Greenwheelsauto blijkt dat deze auto zich ten tijde van de inbraak bevond op [adres 3] in [woonplaats] , vrijwel naast het bedrijf waar de inbraak is gepleegd.
Beoordeling
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van een bedrijfsinbraak. Hij heeft op professionele wijze, samen met anderen, waardevolle goederen buitgemaakt. Bij de inbraak is een grote hoeveelheid schildergereedschappen weggenomen. De ervaring leert dat een bedrijf bij een dergelijke bedrijfsinbraak ernstig in zijn bedrijfsvoering wordt geraakt. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij niet bezig is geweest met de overlast en de schade die hij heeft veroorzaakt, maar kennelijk alleen oog heeft gehad voor zijn eigen financiële gewin. Hij heeft ook geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag.
Persoonlijke omstandigheden
Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het uittreksel justitiële documentatie (het strafblad) van verdachte van 17 januari 2025. Hieruit blijkt dat hij eerder een strafbeschikking heeft gekregen, maar niet voor een vermogensfeit. De rechtbank weegt het strafblad daarom niet in strafverminderende of strafverzwarende zin mee. Daarnaast lijkt verdachte zijn leven inmiddels beter op de rit te hebben dan ten tijde van de inbraak: hij heeft een baan bij een restaurant, hij blowt niet meer en hij is gestopt met gokken.
Strafoplegging
De rechtbank stelt vast dat de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting bij een bedrijfsinbraak (zonder recidive) uitgaan van een taakstraf van 120 uur. In dit geval is er echter sprake van strafverzwarende omstandigheden: de inbraak is in vereniging gepleegd en de waarde van de gestolen goederen is hoog. Dat maakt dat de rechtbank van oordeel is dat een hogere taakstraf op zijn plaats is. De rechtbank zal verdachte daarom, conform de eis van de officier van justitie, veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 150 uur (met aftrek van het voorarrest). Indien verdachte deze taakstraf niet of niet naar behoren verricht, staan daar 75 dagen vervangende hechtenis tegenover. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen, geldt met betrekking tot het onherstelbare vormverzuim, dat kan worden volstaan met de constatering ervan en dat strafvermindering niet aan de orde is.
9BENADEELDE PARTIJ
[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd en vordert een bedrag van 24.711,56 euro (materiële schade), ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.
9.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om - met gebruikmaking van haar schattingsbevoegdheid - in elk geval een bedrag van 20.000 euro hoofdelijk toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
9.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering onvoldoende onderbouwd is, waardoor deze dient te worden afgewezen.
9.3
Beoordeling
Er staat vast dat aan de benadeelde partij [aangever] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Niettemin zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, omdat de vordering onvoldoende onderbouwd is en de omvang van de schade door de verdediging gemotiveerd is betwist. Uit de aangifte komt naar voren dat de gestolen goederen niet alleen aan de benadeelde partij, maar ook aan twee andere personen toebehoorden. Voor de rechtbank is niet zonder meer duidelijk of de in de vordering genoemde goederen aan de benadeelde partij toebehoorden of aan die twee andere personen, en of de benadeelde partij - indien dat laatste het geval is - ook namens de andere eigenaren gerechtigd is om schade te verhalen.
Als ervan zou worden uitgegaan dat de benadeelde partij eigenaar van alle gestolen goederen is of gerechtigd is om de schade te verhalen namens een of meer anderen, is het op basis van de informatie waarover de rechtbank beschikt niet mogelijk om de omvang van de schade vast te stellen. Er is weliswaar een offerte bij de vordering gevoegd, maar er zijn geen aankoopbewijzen overgelegd, noch informatie verschaft over bijvoorbeeld het moment van aankoop zodat de rechtbank kan bepalen wat de waarde van die goederen was op het moment dat ze werden gestolen. De rechtbank is van oordeel dat het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om de schadeposten alsnog nader te onderbouwen, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid dan ook niet bieden. De rechtbank zal ook geen gebruikmaken van haar bevoegdheid om de schade te schatten, omdat zij onvoldoende aanknopingspunten heeft om een schatting op te baseren.
De benadeelde partij kan de vordering nog wel aanbrengen bij de burgerlijke rechter, want dat er schade is geleden, staat voor de rechtbank op grond van de hierboven gebezigde bewijsmiddelen vast. Omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard, zal hij in de kosten van verdachte worden veroordeeld voor zover deze betrekking hebben op het verweer tegen de vordering. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.
10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde feit bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
Strafbaarheid
verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 uren;
beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 75 dagen hechtenis;
bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;
Benadeelde partij
verklaart [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.C. Klink, voorzitter, mr. L.E. Verschoor-Bergsma en mr. I.G.C. Bij de Vaate, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Besselink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 maart 2025.
Bijlage: de gewijzigde tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 5 mei 2023 te Maarssen , gemeente Stichtse Vecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere verfspuit(en) en/of schuurmachine(s) en/of stofzuiger(s) en/of gereedschap en/of mixer(s) en/of verf, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] en/of een of meer anderen, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak/verbreking/inklimming en/of valse sleutel.
Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 15 februari 2024, genummerd PL0900-2023133742, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met 398. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
p. 44
p. 45.
p. 44
p. 45
p. 46.
p. 58.
p. 263.
p. 220
p. 221
p. 223
p. 225
p. 226.
p. 267.
p. 229.