Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-03-14
ECLI:NL:RBMNE:2025:1558
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
4,802 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/589485 / JE RK 25-333
Datum uitspraak: 14 maart 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[belanghebbende]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. H.S.K. Jap A Joe.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 februari 2025, mee in de beoordeling.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 maart 2025. Daarbij waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de GI, vertegenwoordigd door [A] en [B] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. Hij heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn mening te geven.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 8 maart 2022 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 8 maart 2026.
2.4.
Bij beschikking van 15 januari 2025 heeft de kinderrechter het verzoek over de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] afgewezen.
3Het verzoek
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder of een (netwerk)pleeggezin te verlenen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4Het standpunt van de moeder
De moeder is het niet eens met het verzoek van de GI. Door omstandigheden is het niet gelukt om [minderjarige] weer naar school te laten gaan of een andere vorm van dagbesteding te laten hebben. Aan het gevaar dat er was door de aanwezigheid van drugs en wapens in de woning is door de inval van de politie een einde gekomen. Er is op dit moment geen plek waar [minderjarige] terecht kan. De grootmoeder moederszijde heeft geen draagkracht om voor [minderjarige] te zorgen en het is niet goed voor [minderjarige] om in een instelling te wonen.
Beoordeling
De beslissing
5.1. De kinderrechter wijst het verzoek toe. Dit betekent dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] wordt verleend in een accommodatie jeugdhulpaanbieder of een (netwerk)pleeggezin voor de duur van zes maanden, tot 14 september 2025. De kinderrechter legt deze beslissing hierna uit.
Toelichting
5.2.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek).
5.3.
De kinderrechter heeft grote zorgen over hoe het met [minderjarige] gaat. Deze zorgen zijn er al heel lang. Bij de ondertoezichtstelling van [minderjarige] in 2022 is al gesproken over een mogelijke uithuisplaatsing van [minderjarige] als er geen verbetering optreedt in de situatie van [minderjarige] bij de moeder. Deze verbetering heeft in de jaren daarna niet plaatsgevonden. Tijdens de zittingen van 30 augustus 2024 en 20 december 2024 hebben de moeder en [minderjarige] aangegeven dat zij zich zullen inzetten voor het verbeteren van de situatie. Zo zou [minderjarige] weer gaan starten met school of uitzicht hebben op een baan. Toch blijkt iedere keer dat dit niet lukt. De start op het [school] is niet van de grond gekomen omdat [minderjarige] zich er niet thuis voelde en [minderjarige] is uiteindelijk niet gestart met de baan omdat dit te ver weg was. Dit betekent dat [minderjarige] , die pas vijftien jaar oud is, al drie jaar geen dagbesteding heeft. Hierdoor staat hij stil in zijn ontwikkeling. Dit is heel zorgelijk. Daar komt bij dat [minderjarige] zich zorgen maakt over zijn moeder. Hij heeft aan zijn oudere broer [naam] , die momenteel bij de grootmoeder moederszijde verblijft, beloofd om voor zijn moeder te zorgen. Dit moet andersom zijn.
5.4.
Anders dan door de advocaat van de moeder naar voren is gebracht, is het verzoek van de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen dus niet alleen ingegeven door de politie inval op 25 februari 2025. Deze inval heeft wel de zorgen over [minderjarige] vergroot. Tijdens de inval zijn wapens, vuurwerk en drugs aangetroffen. Op elke kamer, dus ook op de kamer van [minderjarige] , zijn resten van softdrugs aangetroffen. Daarnaast was de toestand van het huis schrikbarend smerig. Dit is geen gezonde omgeving voor een kind om op te groeien.
5.5.
Hulpverlening in de thuissituatie lijkt de zorgelijke situatie van [minderjarige] bij de moeder niet te kunnen verbeteren. De moeder heeft aangegeven dat de ingezette hulpverlening niet goed is en dat er aan haar geen wekelijkse hulp geboden kan worden. Hoewel de kinderrechter zich kan voorstellen dat de betrokken hulpverleners niet altijd aansluiten bij de moeder of haar de juiste hulp kunnen bieden, ligt hier ook een rol voor de moeder. De moeder heeft nog steeds een verslaving, maar het contact daarover met haar therapeut is minimaal. De toezegging die zij op de zitting van 20 december 2024 heeft gedaan om openheid over haar behandeling te geven richting de GI is zij niet nagekomen. De moeder legt de verantwoordelijkheid continue buiten zichzelf in plaats van naar zichzelf te kijken. Er lijkt steeds minder zicht toegelaten te worden op de thuissituatie van [minderjarige] en de moeder, waardoor [minderjarige] zich steeds meer terugtrekt. De coach die de moeder op het oog heeft die wel voor een verbetering zou moeten zorgen, kan niet gefinancierd worden door de gemeente en [minderjarige] en de moeder weigeren mee te werken met de coaching die wel geregeld kan worden. Ook de samenwerking met de GI verloopt zeer moeizaam. Dit is ook te merken op de zitting.
5.6.
Het is voor de kinderrechter niet duidelijk of een uithuisplaatsing voor beterschap zal zorgen in de situatie van [minderjarige] , maar de huidige situatie kan niet langer voortduren. De hulpverlening die de moeder hopelijk binnenkort komt helpen om haar huis op te ruimen en schoon te maken is niet voldoende om de ernstige zorgen over [minderjarige] weg te nemen. De GI gaat onderzoeken of een plaatsing van [minderjarige] mogelijk is bij de grootmoeder moederszijde. De moeder verwacht dat dit niet mogelijk is. Als dit geen optie blijkt te zijn, dan kan [minderjarige] op een groep van Youké terecht. De kinderrechter heeft goed van de moeder gehoord dat dit niet is wat [minderjarige] wil, en dat dit ook niet is wat de moeder wil. De kinderrechter ziet het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing echter als enige mogelijkheid om een doorbraak te creëren in de onveilige en ongezonde situatie waar [minderjarige] al jaren in zit. De kinderrechter hoopt dat [minderjarige] de komende periode meer structuur in zijn leven krijgt, weer kan starten op school of met een baan en kan verwerken wat hij allemaal heeft meegemaakt. De moeder kan in de tussentijd haar leven op orde brengen door haar verslaving onder controle te krijgen, hulpverlening te aanvaarden en te zorgen voor een schoon en opgeruimd huis.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder of een (netwerk)pleeggezin met ingang van 14 maart 2025 tot 14 september 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2025 door mr. R.M. Maliepaard, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R. Jelicic als griffier, en op schrift gesteld op 26 maart 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/589485 / JE RK 25-333
Datum uitspraak: 14 maart 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[belanghebbende]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. H.S.K. Jap A Joe.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 februari 2025, mee in de beoordeling.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 maart 2025. Daarbij waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de GI, vertegenwoordigd door [A] en [B] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. Hij heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn mening te geven.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 8 maart 2022 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 8 maart 2026.
2.4.
Bij beschikking van 15 januari 2025 heeft de kinderrechter het verzoek over de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] afgewezen.
3Het verzoek
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder of een (netwerk)pleeggezin te verlenen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4Het standpunt van de moeder
De moeder is het niet eens met het verzoek van de GI. Door omstandigheden is het niet gelukt om [minderjarige] weer naar school te laten gaan of een andere vorm van dagbesteding te laten hebben. Aan het gevaar dat er was door de aanwezigheid van drugs en wapens in de woning is door de inval van de politie een einde gekomen. Er is op dit moment geen plek waar [minderjarige] terecht kan. De grootmoeder moederszijde heeft geen draagkracht om voor [minderjarige] te zorgen en het is niet goed voor [minderjarige] om in een instelling te wonen.
Beoordeling
De beslissing
5.1. De kinderrechter wijst het verzoek toe. Dit betekent dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] wordt verleend in een accommodatie jeugdhulpaanbieder of een (netwerk)pleeggezin voor de duur van zes maanden, tot 14 september 2025. De kinderrechter legt deze beslissing hierna uit.
Toelichting
5.2.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek).
5.3.
De kinderrechter heeft grote zorgen over hoe het met [minderjarige] gaat. Deze zorgen zijn er al heel lang. Bij de ondertoezichtstelling van [minderjarige] in 2022 is al gesproken over een mogelijke uithuisplaatsing van [minderjarige] als er geen verbetering optreedt in de situatie van [minderjarige] bij de moeder. Deze verbetering heeft in de jaren daarna niet plaatsgevonden. Tijdens de zittingen van 30 augustus 2024 en 20 december 2024 hebben de moeder en [minderjarige] aangegeven dat zij zich zullen inzetten voor het verbeteren van de situatie. Zo zou [minderjarige] weer gaan starten met school of uitzicht hebben op een baan. Toch blijkt iedere keer dat dit niet lukt. De start op het [school] is niet van de grond gekomen omdat [minderjarige] zich er niet thuis voelde en [minderjarige] is uiteindelijk niet gestart met de baan omdat dit te ver weg was. Dit betekent dat [minderjarige] , die pas vijftien jaar oud is, al drie jaar geen dagbesteding heeft. Hierdoor staat hij stil in zijn ontwikkeling. Dit is heel zorgelijk. Daar komt bij dat [minderjarige] zich zorgen maakt over zijn moeder. Hij heeft aan zijn oudere broer [naam] , die momenteel bij de grootmoeder moederszijde verblijft, beloofd om voor zijn moeder te zorgen. Dit moet andersom zijn.
5.4.
Anders dan door de advocaat van de moeder naar voren is gebracht, is het verzoek van de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen dus niet alleen ingegeven door de politie inval op 25 februari 2025. Deze inval heeft wel de zorgen over [minderjarige] vergroot. Tijdens de inval zijn wapens, vuurwerk en drugs aangetroffen. Op elke kamer, dus ook op de kamer van [minderjarige] , zijn resten van softdrugs aangetroffen. Daarnaast was de toestand van het huis schrikbarend smerig. Dit is geen gezonde omgeving voor een kind om op te groeien.
5.5.
Hulpverlening in de thuissituatie lijkt de zorgelijke situatie van [minderjarige] bij de moeder niet te kunnen verbeteren. De moeder heeft aangegeven dat de ingezette hulpverlening niet goed is en dat er aan haar geen wekelijkse hulp geboden kan worden. Hoewel de kinderrechter zich kan voorstellen dat de betrokken hulpverleners niet altijd aansluiten bij de moeder of haar de juiste hulp kunnen bieden, ligt hier ook een rol voor de moeder. De moeder heeft nog steeds een verslaving, maar het contact daarover met haar therapeut is minimaal. De toezegging die zij op de zitting van 20 december 2024 heeft gedaan om openheid over haar behandeling te geven richting de GI is zij niet nagekomen. De moeder legt de verantwoordelijkheid continue buiten zichzelf in plaats van naar zichzelf te kijken. Er lijkt steeds minder zicht toegelaten te worden op de thuissituatie van [minderjarige] en de moeder, waardoor [minderjarige] zich steeds meer terugtrekt. De coach die de moeder op het oog heeft die wel voor een verbetering zou moeten zorgen, kan niet gefinancierd worden door de gemeente en [minderjarige] en de moeder weigeren mee te werken met de coaching die wel geregeld kan worden. Ook de samenwerking met de GI verloopt zeer moeizaam. Dit is ook te merken op de zitting.
5.6.
Het is voor de kinderrechter niet duidelijk of een uithuisplaatsing voor beterschap zal zorgen in de situatie van [minderjarige] , maar de huidige situatie kan niet langer voortduren. De hulpverlening die de moeder hopelijk binnenkort komt helpen om haar huis op te ruimen en schoon te maken is niet voldoende om de ernstige zorgen over [minderjarige] weg te nemen. De GI gaat onderzoeken of een plaatsing van [minderjarige] mogelijk is bij de grootmoeder moederszijde. De moeder verwacht dat dit niet mogelijk is. Als dit geen optie blijkt te zijn, dan kan [minderjarige] op een groep van Youké terecht. De kinderrechter heeft goed van de moeder gehoord dat dit niet is wat [minderjarige] wil, en dat dit ook niet is wat de moeder wil. De kinderrechter ziet het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing echter als enige mogelijkheid om een doorbraak te creëren in de onveilige en ongezonde situatie waar [minderjarige] al jaren in zit. De kinderrechter hoopt dat [minderjarige] de komende periode meer structuur in zijn leven krijgt, weer kan starten op school of met een baan en kan verwerken wat hij allemaal heeft meegemaakt. De moeder kan in de tussentijd haar leven op orde brengen door haar verslaving onder controle te krijgen, hulpverlening te aanvaarden en te zorgen voor een schoon en opgeruimd huis.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder of een (netwerk)pleeggezin met ingang van 14 maart 2025 tot 14 september 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2025 door mr. R.M. Maliepaard, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R. Jelicic als griffier, en op schrift gesteld op 26 maart 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.