Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-01-02
ECLI:NL:RBMNE:2025:153
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
3,428 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/7427
uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 januari 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
en
de burgemeester van de gemeente Leusden
(gemachtigde: mr. A. Arnold).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de verlenging van de sluiting van zijn woning op het adres [adres] in [woonplaats] (de woning) voor de duur van drie maanden met ingang van 14 november 2024 tot 14 februari 2025.
1.1.
Met het bestreden besluit van 14 november 2024 heeft de burgemeester besloten de woning te sluiten. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Hij wil met dit verzoek bereiken dat de voorzieningenrechter het besluit schorst, zodat hij weer naar huis kan.
1.2.
De burgemeester heeft de op het verzoek betrekking hebbende stukken ingezonden en daarbij voor een deel van de stukken verzocht dat met toepassing van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitsluitend de voorzieningenrechter van deze stukken kennis zal nemen. De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft met de beslissing van 18 december 2024 bepaald dat beperking van de kennisneming van een deel van deze stukken gerechtvaardigd is. Verzoeker heeft geen toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb om die stukken te betrekken in de beoordeling van zijn verzoek. De betreffende stukken worden door de rechtbank geretourneerd aan de burgemeester.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester.
Totstandkoming van het besluit
2. Aan verzoeker is op 30 juli 2024 een last onder dwangsom opgelegd op grond van artikel 2:79 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Leusden 2023 (APV) wegens door verzoeker en zijn bezoekers veroorzaakte woonoverlast. Ook is aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd, omdat verzoeker zonder daarvoor op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de APV benodigde vergunning een seks-inrichting in zijn woning exploiteert (illegale prostitutie).
3. Op 15 oktober 2024 is in de woning van verzoeker een controle uitgevoerd door toezichthouders van de gemeente om te bezien of verzoeker aan de in het kader van de illegale prostitutie opgelegde last heeft voldaan. Daarbij is door de toezichthouder geconstateerd dat nog steeds sprake was van het exploiteren van een seks-inrichting zonder benodigde vergunning. Bij die controle heeft verzoeker bedreigingen geuit naar de toezichthouder en de burgemeester.
4. Na een beoordeling van de situatie en op grond van bestuurlijke rapportages van de politie, meldingen bij de gemeente van overlast en de op 5 oktober 2024 uit de hand gelopen controle constateert de burgemeester dat de omstandigheden en feiten zodanig zijn dat er sprake is van zeer ernstige overlast en (de vrees voor) een ernstige verstoring van de openbare orde. In deze omstandigheden heeft de burgemeester aanleiding gezien om over te gaan tot een spoedsluiting op grond van artikel 174a, eerste lid, onder a en b, van de Gemeentewet met ingang van 17 oktober 2024 voor de duur van vier weken. Bij besluit van 14 november 2024 heeft de burgemeester besloten deze sluiting te verlengen en de woning de komende drie maanden gesloten te houden.
Beoordeling
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
6. Verzoeker heeft een spoedeisend belang bij een beoordeling door de voorzieningenrechter, omdat verzoeker tijdelijk zijn woning uit moet als deze door de burgemeester mag worden gesloten.
Waarom is verzoeker het niet eens met de sluiting?
7. Verzoeker voert aan dat hij toegang wil tot zijn woning. Verzoeker betwist dat in de afgelopen periode sprake is geweest van overlast in de wijk door hem. In de afgelopen periode zijn ook geen meldingen binnengekomen van overlast en van lachgasgebruik is geen sprake meer. Ook heeft verzoeker er op de zitting op gewezen dat hij altijd goed contact heeft gehad met de buren. Die paar keer dat buren hebben laten weten overlast te ervaren, heeft hij met de buren gesproken en het weer goed gemaakt. Volgens hem hoeven de buren alleen maar naar hem toe te komen. Ook benadrukt verzoeker dat geen sprake is van een seks-inrichting. Hij heeft een bedrijf in de thuiszorg met een erotisch tintje. Hij bemiddelt daarin en daarvoor heeft hij geen vergunning nodig. Ook wijst hij er op dat er af en toe wat vriendinnen of dames in zijn huis verblijven en hij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor wat die dames in de kamers doen. Verzoeker vindt de woningsluiting niet proportioneel en te zwaar.
De bevoegdheid
8. Op de zitting is met de burgemeester besproken dat het besluit is gebaseerd op artikel 174a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet. In het besluit is weliswaar ook artikel 174a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gemeentewet genoemd, maar de burgemeester heeft op de zitting aangegeven dat die grondslag niet nader is onderzocht. Ook is op de zitting besproken dat artikel 174a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet gelet op de wetsgeschiedenis vooral is bedoeld voor situaties waarbij sprake is van explosies of beschietingen in de nabijheid van de woning. De burgemeester heeft op de zitting erkend dat daar geen sprake van is.
9. De voorzieningenrechter constateert dat de burgemeester vooral op grond van artikel 174, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet heeft besloten over te gaan tot sluiting van de woning. Volgens de burgemeester is er sprake van ernstige overlast en een ernstige verstoring van de openbare orde.
10. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft uitgelegd wanneer de burgemeester dit artikel kan inzetten. Dat kan als aan de hand van concrete, objectieve en verifieerbare gegevens moet worden vastgesteld dat de gedragingen zich in de woning of op het daarbij behorende erf voordoen, er langdurige overlast is die zich met grote regelmaat voordoet en die maatschappelijk onaanvaardbare vormen heeft aangenomen. Verder vergt verstoring van de openbare orde overlast waardoor de veiligheid en de gezondheid van mensen in de directe omgeving van de woning in ernstige mate worden bedreigd. Zodanige overlast kan slechts plaatsvinden bij gedragingen die op zichzelf ernstig zijn. Deze uitleg van de Afdeling sluit aan bij wat de wetgever wilde toen artikel 174a in de Gemeentewet is opgenomen.
11. Uit de overgelegde stukken is op te maken dat de politie sinds 28 februari 2021 intensief betrokken is geweest bij de overlastproblematiek rond verzoeker. Sinds 2023 is verzoeker gelabeld voor een persoonsgerichte aanpak (PGA). In de bestuurlijke rapportages zijn verschillende meldingen opgenomen in de periode van 10 januari 2023 tot en met 28 juli 2024, telkens voorzien van een datum en een beschrijving van de melding en wat de politie bij bezoek aan de woning van verzoeker aantrof. Deze meldingen zien grotendeels op geluidsoverlast en gebruik van verdovende middelen door verzoeker. Ook wordt verschillende keren melding gemaakt van aanloop in de nachtelijke uren. De politie heeft daarbij meerdere keren geconstateerd dat de bezoekers van verzoeker onder invloed van verdovende middelen waren. Ook heeft een aantal van de bezoekers verklaard dat zij in de woning van verzoeker een prostituee hebben bezocht. Naar aanleiding van een melding, treft de politie ook een vrouw aan in de woning van verzoeker die zelf zegt in het huis van verzoeker te werken als prostituee. Uit het proces verbaal van bevindingen van de toezichthouder van 15 oktober 2024 blijkt eveneens dat in de woning van verzoeker prostitutie plaatsvindt.
12. Verder blijkt uit de bestuurlijke rapportages dat de politie een aantal keren een ravage heeft aangetroffen in het huis van verzoeker. Zo beschrijft de politie op 15 december 2023 dat zij naar aanleiding van drie meldingen verzoeker aantroffen voor de deur van een woning, een paar straten gelegen van zijn woning. Verzoeker stond voor de deur van die woning te schreeuwen en tegen de deur te trappen. In de woning van verzoeker zelf trof de politie een woonkamer aan die overhoop was gehaald en een televisie die erg luid stond. Ook op 1 februari 2024 trof de politie een ravage aan in de woning van verzoeker en is de crisisdienst in stelling gebracht. Op 15 februari 2024 trof de politie verzoeker wederom onder invloed aan en beschrijft de politie dat verzoeker geïrriteerd was en een conflict had met een vrouw in de woning. Op 28 juli 2024 gaat de politie weer naar de woning van verzoeker naar aanleiding van een melding van geluidsoverlast. Op het moment dat de politie meldt dat hij een bekeuring krijgt voor de geluidsoverlast, zegt verzoeker dat hij de ruit bij de buren in zou gooien als hij een bekeuring krijgt.
13. De burgemeester heeft ook bij de besluitvorming betrokken een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld naar aanleiding van de controle op 15 oktober 2024 van de aan verzoeker opgelegde last onder dwangsom vanwege illegale prostitutie. In dat proces-verbaal is vermeld dat verzoeker de toezichthouder heeft bedreigd met onder andere de woorden “ik kom je thuis opzoeken” en “ik sla al je tanden uit je bek”. Ook heeft verzoeker zich dreigend uitgelaten richting de burgemeester. Van de bedreiging heeft de betrokken toezichthouder aangifte gedaan. Verder is in het proces-verbaal vermeld dat in de woning drie dames werden aangetroffen die aangaven geen paspoort te hebben. Ook werd in de woning een taser en twee stuks vuurwerk, met daarop vermeld COBRA, aangetroffen.
14. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester zich gelet op het voorgaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er sprake is van langdurige en ernstige overlast. Duidelijk is dat verzoeker al lange tijd overlast veroorzaakt, er sprake is van illegale prostitutie en dat het ook voorkomt dat verzoeker in zijn woningen vernielingen aanricht en zich richting anderen verbaal agressief uitlaat.
15. Toch komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat alles tezamen op dit moment niet voldoende is om het besluit tot sluiting van de woning op grond van artikel 174a van de Gemeentewet te dragen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester miskend dat voor de bevoegdheid om een woning te sluiten op grond van artikel 174a, aanhef en onder a, van de Gemeentewet ook van belang is of de veiligheid en de gezondheid van mensen in de directe omgeving van de woning in ernstige mate wordt bedreigd. Hoewel de overlast zoals beschreven ernstig is, heeft de burgemeester op dit moment onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het bij de gedragingen en beschreven incidenten gaat om een ernstige bedreiging van de veiligheid en gezondheid van de mensen in de omgeving van de woning.
16. De bij de voorzieningenrechter bekende stukken bevatten geen concrete en verifieerbare gegevens, waaruit blijkt dat de veiligheid en gezondheid van omwonenden in ernstige mate is bedreigd.
Conclusie
19. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 14 november 2024 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
20. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de burgemeester het griffierecht vergoeden. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
Dictum
schorst het bestreden besluit van 14 november 2024 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 187,- aan verzoeker moet vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2025.
de griffier is verhinderd deze
uitspraak mede te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP4697, onder 2.4.1 en 2.4.2.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO5718.
Zie Kamerstukken II 1996/97, 24 699, nrs. 5 en 7.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO5718
Zie de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2402, r.o. 8.