Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-01-08
ECLI:NL:RBMNE:2025:1481
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Mondelinge uitspraak
2,444 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Lelystad
zaaknummer: 11400367 LC EXPL 24-2931 A/1621
Vonnis van 8 januari 2025
inzake
de besloten vennootschap
LEGALITAS B.V., H.O.D.N. LEGALITAS ADVOCATEN,
gevestigd te Hilversum,
eisende partij,
gemachtigde: mr. E. van Es,
tegen:
[gedaagde]
,
wonende in de gemeente [woonplaats] ,
gedaagde partij,niet verschenen.
Procesverloop
1.1.
De eisende partij heeft een dagvaarding uitgebracht. Zij heeft gevorderd dat de gedaagde partij wordt veroordeeld om een bedrag aan haar te betalen, vermeerderd met rente en een vergoeding voor gemaakte kosten, zoals in de dagvaarding is omschreven.
1.2.
De gedaagde partij heeft daar niet (op tijd) op gereageerd en niet gevraagd om op een later moment te mogen reageren. Daarom heeft de kantonrechter verstek verleend tegen de gedaagde partij.
1.3.
Daarop volgt nu dit vonnis.
Overwegingen
2.1.
De eisende partij stelt dat zij in opdracht van de gedaagde partij juridische bijstand heeft verleend. De eisende partij heeft daarvoor facturen naar de gedaagde partij gestuurd. De eisende partij stelt dat de gedaagde partij deze facturen tot op heden niet volledig heeft betaald en dat er nog € 6.224,41 open staat. De eisende partij wil (samengevat) dat de gedaagde partij wordt veroordeeld tot betaling van voormeld bedrag vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijk incassokosten en dat de gedaagde partij wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.
Ambtshalve toetsing van informatieverplichtingen
2.2.
De overeenkomst die partijen hebben gesloten, kwalificeert de kantonrechter als een overeenkomst van opdracht tussen een handelaar en een consument. Dat betekent dat de kantonrechter ambtshalve moet toetsen of aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van Boek 6, titel 5, afdeling 2B BW is voldaan en, als sprake is van een voldoende ernstige schending van zo’n verplichting, een sanctie moet toepassen (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 12 november 2021, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2021:1677).
2.3.
Op de overeenkomst zijn de informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing.
2.4.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de opdrachtbevestiging die de eisende partij op 23 februari 2023 per e-mail naar de gedaagde partij heeft gestuurd. In die opdrachtbevestiging is wel het uurtarief vermeld dat aan de gedaagde partij in rekening zal worden gebracht, maar er is geen enkele indicatie gegeven van de totale kosten, die de gedaagde partij verschuldigd zal zijn, zoals bedoeld in artikel 6:230l onder c (in het geval de overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte tot stand is gekomen). Die totale prijs is tevens van belang in het kader van hetgeen hierna wordt overwogen ten aanzien van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 12 januari 2023. Het ligt op de weg van de eisende partij om ten aanzien van de hiervoor genoemde punten duidelijkheid te scheppen. De kantonrechter zal de eisende partij in de gelegenheid stellen zich hierover bij akte uit te laten.
Ambtshalve toetsing van oneerlijke bedingen
2.5.
De kantonrechter moet ook ambtshalve toetsen of een beding in een consumentenovereenkomst onder de richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29), zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 (PB 2011, L 304, blz. 64) (‘de Richtlijn’) valt en, zo ja, of dat beding oneerlijk is. Hoewel de Richtlijn niet rechtstreeks van toepassing is, brengt een richtlijnconforme uitleg mee dat de kantonrechter een oneerlijk beding op grond van artikel 6:233 BW moet vernietigen (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 13 september 2013, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2013:691).
2.6.
De kantonrechter begrijpt dat de eisende partij zich beroept op artikel 7 van haar algemene voorwaarden. Dit artikel luidt: De kosten van uitvoering van de opdracht door de betrokken advocaat of jurist omvatten uitsluitend honorarium, reistijd, reiskosten en verschotten. Alle bedragen zijn exclusief BTW en kantoorkosten. Tenzij tussen de opdrachtgever en de betrokken advocaat anders is afgesproken, wordt het honorarium bepaald door de bestede tijd en het voor de betreffende opdracht geldende uurtarief. De tarieven van de advocaten of juridisch medewerkers kunnen variëren afhankelijk van specialistische kennis of de aard van de opdracht. Het bij aanvang van de opdracht afgesproken uurtarief kan door de betrokken advocaat tussentijds worden aangepast en/of jaarlijks worden geïndexeerd. Verschotten worden tegen kostprijs in rekening gebracht.”
In dit geval staat in de opdrachtbevestiging die de eisende partij op 23 februari 2023 naar de gedaagde partij heeft gestuurd. “De kosten voor mijn werkzaamheden bedragen à € 250,00 per uur exclusief 5% kantoorkosten en 21% BTW. Mijn uurtatrief wordt jaarlijks op 1 januari geïndexeerd. Facturering van het honorarium zal twee-wekelijks geschieden. U ontvangt een gespecificeerde factuur en de bestede tijd zal exact worden bijgehouden. De werkzaamheden worden genoteerd in tijdseenheden van 6 minuten. Betaling van de factuur of facturen zal geschieden niet later dan 2 weken na de factuurdatum.”
2.7.
Artikel 7 is een gestandaardiseerd beding, waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, dat bedoeld is om in meerdere overeenkomsten te worden opgenomen. Verder is het een kernbeding in de zin van de Richtlijn. Kernbedingen hoeft de rechter alleen te toetsen op mogelijke oneerlijkheid als deze niet transparant zijn. In dit kader is de prejudiciële uitspraak van het HvJ EU van 12 januari 2023, gepubliceerd onder ECLI:EU:C:2023:14, van belang. In deze uitspraak heeft het HvJ EU zich uitgelaten over de vraag of een beding in een tussen een advocaat en een consument gesloten overeenkomst voor het verrichten van juridische diensten waarin, samengevat, de kosten uitsluitend worden vastgelegd op basis van het gehanteerde uurtarief, zonder verdere precisering, voldoet aan het vereiste dat bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd in de zin van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn. Het HvJ EU heeft geoordeeld dat het enkel noemen van een uurtarief de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor de diensten zal moeten betalen (overweging 40). Volgens het HvJ EU moet de advocaat de consument, vóórdat de overeenkomst wordt gesloten, informatie verstrekken die de consument in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen (overweging 43). Die informatie moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stellen bij benadering de totale kosten van die diensten te ramen. Het HvJ EU noemt daarbij als mogelijkheid een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen.
Of dat de advocaat met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen bezorgd waarin het aantal al gepresteerde werkuren wordt vermeld. Daarbij is het aan de nationale rechter om te beoordelen of de informatie die aan de consument is verstrekt, de consument in staat heeft gesteld om met de nodige voorzichtigheid en met volledige kennis van de financiële consequenties van het sluiten van die overeenkomst, zijn beslissing te nemen (overweging 44). Wat betreft de vraag of sprake is van een oneerlijk beding in de zin van de Richtlijn heeft het HvJ EU overwogen dat het onderzoek van het oneerlijke karakter van een beding in principe moet berusten op een algehele beoordeling, waarbij niet enkel een eventueel gebrek aan transparantie van dat beding in aanmerking moet worden genomen (overweging 49). Het HvJ EU heeft vervolgens geoordeeld dat het enkele feit dat het kostenbeding tussen een advocaat en een consument niet aan het transparantievereiste van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn voldoet, niet betekent dat het beding als oneerlijk moet worden beschouwd, tenzij de lidstaat van het toepasselijke recht overeenkomstig artikel 8 van de Richtlijn (waarin staat dat lidstaten strengere bepalingen dan die onder de Richtlijn vallen kunnen aannemen en handhaven, voor zover deze verenigbaar zijn met het Unierecht) er uitdrukkelijk in heeft voorzien dat een beding alleen al daarom als oneerlijk wordt aangemerkt (overweging 52).
2.8.
Het voorgaande leidt ertoe dat de kantonrechter moet onderzoeken of het beding al dan niet voldoet aan het in artikel 4 lid 2 van de Richtlijn neergelegde transparantievereiste.
Dictum
De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van 5 februari 2025 te 11.00 uur voor het nemen van een akte door de eisende partij over dat wat in rechtsoverweging 2.4 tot en met 2.8 is overwogen;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2025.