Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-03-28
ECLI:NL:RBMNE:2025:1412
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,535 tokens
Inleiding
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/589578 / KG ZA 25-74
Vonnis in kort geding van 28 maart 2025
in de zaak van
[eiseres]
,
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. M. den Dekker,
tegen
[gedaagde]
,
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.J. Wagemans.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bevat de volgende stukken:
- de dagvaarding;- de producties van [gedaagde] ;- de pleitnota van [eiseres] ;
- de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling van 14 maart 2025.
1.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter bepaald dat een uitspraak zal worden gedaan.
2De kern van de zaak
2.1.
[eiseres] wil met deze procedure bereiken dat [gedaagde] de woning aan het [adres] in [plaats] (hierna: de woning), waarin zij tot 2 december 2024 samen woonden, verlaat omdat zij de enige contractuele huurder van de woning is. [gedaagde] is het hier niet mee eens. Volgens [gedaagde] is hij medehuurder. [eiseres] vordert verder een voorschot op schadevergoeding en een contact- en locatieverbod. De voorzieningenrechter beslist dat [gedaagde] de woning voorlopig niet hoeft te verlaten en wijst ook de andere vorderingen van [eiseres] af.
Beoordeling
Spoedeisend belang
3.1.
In dit kort geding moet de voorzieningenrechter allereerst beoordelen of [eiseres] een spoedeisend belang bij haar vorderingen heeft. Van een spoedeisend belang is sprake als een onmiddellijke voorziening nodig is en van [eiseres] niet kan worden verlangd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
3.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van een dergelijk spoedeisend belang bij de vordering die [eiseres] heeft die gaat over het gebruik van de woning. Zo staat vast dat [eiseres] huurder van de woning is en dat zij momenteel geen gebruik van de woning kan maken. Er is dus sprake van een voortdurende inbreuk op haar huurrecht.
3.3.
Ook voor de vordering tot het verkrijgen van een voorschot op schadevergoeding is een voldoende spoedeisend belang aanwezig. [eiseres] betaalt sinds december 2024 de huur en kosten van de woning, terwijl ze daar niet kan verblijven. Daarnaast moet ze ook betalen voor haar verblijf bij haar zus.
3.4.
De voorzieningenrechter oordeelt dat voor de vordering tot het opleggen van een locatie- en contactverbod geen spoedeisend belang bestaat. [eiseres] heeft naar voren gebracht dat deze verboden haar rust zouden brengen, maar [eiseres] en [gedaagde] hebben sinds 2 december 2024 in het geheel geen contact meer gehad. Er bestaat nu geen reden en dus geen spoedeisend belang voor het opleggen van een locatie- of contactverbod en de voorzieningenrechter zal die vordering dan ook afwijzen.
De vordering tot ontruiming zal worden afgewezen
3.5.
[eiseres] heeft in deze kort geding procedure gevorderd dat [gedaagde] de woning ontruimt en verlaat omdat hij zonder recht in de woning verblijft. Volgens [gedaagde] is hij medehuurder van de woning. Dit is een kort geding procedure. In een bodemprocedure, waarbij de verhuurder Rhenam Wonen partij is, zal een andere rechter moeten vaststellen of [gedaagde] medehuurder van de woning is. Het is de vraag of de voorzieningenrechter in deze kort geding procedure al op die beslissing vooruit kan lopen door te bepalen dat [gedaagde] de woning nu moet verlaten. Dat kan alleen als de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk vindt dat de bodemrechter zal beslissen dat [gedaagde] geen medehuurder is. Maar dat is niet het geval.
3.6.
Het klopt dat de getekende huurovereenkomst voor de woning alleen op naam van [eiseres] staat en dat is een aanwijzing dat [gedaagde] geen medehuurder is. Maar [gedaagde] heeft in deze procedure omstandigheden aangevoerd die mogelijk (ook) wijzen op het bestaan van een huurrelatie tussen [gedaagde] en Rhenam Wonen. Hierdoor kan de voorzieningenrechter in deze kort geding procedure niet met zekerheid zeggen dat [gedaagde] geen medehuurder is. Als [gedaagde] wel medehuurder is, heeft hij net zo veel recht als [eiseres] om in de woning te blijven. Het gaat om de volgende omstandigheden.
3.7.
[eiseres] en [gedaagde] hebben ongeveer 10 jaar een relatie gehad en zijn gedurende die tijd altijd gezamenlijk huurder geweest van de woningen waarin zij verbleven. Op enig moment heeft [eiseres] zich bij Rhenam Wonen ingeschreven voor een nieuwe huurwoning. Rhenam Wonen heeft op basis van de inschrijving van [eiseres] de woning aan het [adres] aan haar aangeboden. [eiseres] en [gedaagde] zijn de woning vervolgens samen gaan bekijken, waarna de woning is geaccepteerd. Om die acceptatie te formaliseren, heeft Rhenam Wonen een formulier ‘Voorlopige Aanvraag Huurovereenkomst’ opgesteld. Dit formulier staat op naam van [eiseres] , maar is door [eiseres] als ‘aanvrager’ en [gedaagde] als ‘mede-aanvrager’ ondertekend. Op het formulier, waar ook het telefoonnummer van [gedaagde] op staat vermeld, is aangekruist dat de woning wordt geaccepteerd en dat de ondergetekenden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van Rhenam Wonen als binnen de daarvoor gestelde termijn geen huurovereenkomst wordt aangegaan. Na de acceptatie van de woning heeft Rhenam Wonen een formulier ‘SEPA-machtiging doorlopende incasso’ opgesteld, waarin voor de afschrijving van de maandelijkse huur het gezamenlijke rekeningnummer van [eiseres] en [gedaagde] is opgenomen. Dit formulier staat ook op naam van [eiseres] , maar is door zowel [eiseres] als [gedaagde] ondertekend. Dit keer heeft [eiseres] als ‘huurder’ en [gedaagde] als ‘medehuurder’ getekend.
3.8.
Daarbij komt dat [eiseres] op de mondelinge behandeling heeft verteld dat zij bij het aangaan van de huurovereenkomst [gedaagde] bewust (uit angst) in de waan liet dat hij ook medehuurder zou zijn, maar dat het niet haar bedoeling was dat hij ook huurrechten zou krijgen. Verder heeft [eiseres] verklaard dat zij de spullen van [gedaagde] uit de oude woning heeft meeverhuisd en dat zij het eventueel aanhouden van de oude woning niet met [gedaagde] heeft besproken. [gedaagde] heeft zijn huurrechten van zijn oude huurwoning vervolgens opgezegd, zonder dat hij wist dat hij mogelijk geen nieuwe huurrechten kreeg.
Geen ontruiming op basis van voorlopige gebruik
3.9.
Op de mondelinge behandeling heeft [eiseres] toegelicht dat als de voorzieningenrechter oordeelt dat [gedaagde] mogelijk medehuurder van de woning is, [gedaagde] de woning alsnog moet ontruimen omdat zij in dat geval voorlopig het uitsluitend gebruik van de woning zou moeten krijgen. Ook [gedaagde] wil in de woning blijven. Om die reden is het aan de voorzieningenrechter om te bepalen wie (totdat in een bodemprocedure is beslist over het medehuurderschap en mogelijk over het toewijzen van het huurrecht) het meeste belang heeft bij het gebruik van de woning.
3.10.
De voorzieningenrechter zal de vordering van [eiseres] om haar voorlopig het uitsluitend gebruik van de woning toe te kennen en [gedaagde] te verplichten de woning te verlaten afwijzen. De voorzieningenrechter begrijpt dat de situatie voor [eiseres] verre van ideaal is, omdat zij al sinds begin december bij haar zus en haar gezin moet verblijven en sinds die tijd met dubbele kosten zit. Toch vindt de voorzieningenrechter het belang van [gedaagde] om voorlopig in de woning te kunnen blijven op dit moment zwaarder wegen. [gedaagde] heeft namelijk gesteld dat hij nergens anders kan verblijven en dat hij, anders dan [eiseres] , ook niet de financiële middelen heeft om een andere woning te vinden. Volgens [eiseres] kan [gedaagde] wel tijdelijk in één van de huurwoningen van [A] verblijven, maar [gedaagde] heeft dit weersproken. [A] heeft tijdens de zitting toegelicht dat al zijn huurwoningen op dit moment verhuurd zijn.
Het gevorderde voorschot op schadevergoeding wordt deels toegewezen
3.11.
[eiseres] heeft gevorderd dat [gedaagde] een voorschot op schadevergoeding betaalt. Het gaat om verschillende kosten die verband houden met het feit dat [gedaagde] gebruik maakt van de woning, terwijl [eiseres] daar nog voor betaalt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] de huur van de woning, de servicekosten en de kosten van de nutsvoorzieningen sinds 2 december 2024 in beginsel aan [eiseres] moet vergoeden, omdat hij vanaf dat moment alleen gebruik maakt van de woning en hij de sloten heeft vervangen zodat [eiseres] geen gebruik meer van de woning kan maken. De voorzieningenrechter zal in deze procedure de vorderingen die daar over gaan toch afwijzen, omdat [gedaagde] heeft betwist dat [eiseres] deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en [eiseres] niet heeft onderbouwd dat ze de betreffende bedragen heeft overgemaakt.
Dictum
De voorzieningenrechter
4.1.
wijst de vorderingen af;
4.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.150,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J.A. Boots en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2025.
LHJ/63796