Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-03-26
ECLI:NL:RBMNE:2025:1284
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,114 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11339664 \ MC EXPL 24-6384
Vonnis van 26 maart 2025
in de zaak van
1 [eiser sub 1] ,
2. [eiseres sub 2],
wonend in [woonplaats 1] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [eiser sub 1] ,
gemachtigde: mr. H. den Besten,
tegen
[gedaagde] handelend onder de naam [handelsnaam],
wonend in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. K.G.O. Afriyieh.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het incidenteel vonnis van 17 september 2024 van de rechtbank Amsterdam met zaaknummer 11146670 \ CV EXPL 24-6794
- het herstelexploot- de conclusie van antwoord in reconventie
- de akte overlegging productie van [gedaagde]- de mondelinge behandeling van 6 februari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat er een vonnis komt.
2De kern van de zaak
De zaak gaat over de aansprakelijkheid voor schade na een brand in de bedrijfsruimte die [eiser sub 1] aan [gedaagde] heeft verhuurd. Partijen wijzen naar elkaar. [gedaagde] , die de bedrijfsruimte gebruikte als kapsalon/schoonheidssalon, heeft in augustus 2022 gemeld dat er problemen waren met de elektra. Er is daarna in totaal vier keer een elektricien langs geweest en bij de laatste keer heeft de elektricien geadviseerd om de gehele meterkast te vervangen. Op 11 februari 2023, twee dagen voordat de meterkast daadwerkelijk vervangen zou worden, is brand uitgebroken. De kantonrechter oordeelt dat het causaal verband tussen het gebruik van elektra door [gedaagde] en de brand niet kan worden vastgesteld. Dat blijkt uit het deskundigenrapport dat [eiser sub 1] zelf heeft ingediend. Daarom wordt de vordering van [eiser sub 1] afgewezen. De tegenvordering van [gedaagde] wordt ook grotendeels afgewezen, omdat de schade van de brand niet aan [eiser sub 1] kan worden toegerekend. [eiser sub 1] heeft namelijk voortvarend gehandeld door telkens een elektricien in te schakelen. Wel moet [eiser sub 1] de borg terugbetalen aan [gedaagde] . De kantonrechter legt dit hierna uit.
Beoordeling
Over de vordering van [eiser sub 1] (in conventie)
Geen causaal verband met de brand, dus geen schadevergoeding
3.1.
[eiser sub 1] eist € 44.698,70 aan schadevergoeding van [gedaagde] (plus wettelijke rente en proceskosten). Dat bedrag bestaat uit € 29.002,90 aan materiële schade en € 15.595,80 aan gemiste huurinkomsten. De kantonrechter wijst de vordering af. [eiser sub 1] baseert de vordering op twee verschillende wetsartikelen. Ten eerste zou [eiser sub 1] schade hebben geleden doordat [gedaagde] toerekenbaar tekortgeschoten is in het nakomen van afspraken, in dit geval de huurovereenkomst. Ten tweede vindt [eiser sub 1] dat er schade is ontstaan doordat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld (of iets heeft nagelaten). In beide gevallen kan de kantonrechter alleen schade toewijzen als er een ‘causaal verband’ tussen het handelen (of nalaten) van [gedaagde] en de brandschade is. Dat betekent dat [eiser sub 1] moet motiveren dat als het handelen (of nalaten) van [gedaagde] wordt weggedacht, de brandschade niet zou zijn ontstaan. De kantonrechter oordeelt dat [eiser sub 1] er niet in is geslaagd om het bestaan van dat causaal verband te onderbouwen.
3.2.
[eiser sub 1] vermoedt dat [gedaagde] de elektra heeft overbelast door er te veel elektrische apparaten tegelijk op aan te sluiten, waardoor de brand zou zijn ontstaan. Maar [eiser sub 1] heeft zelf een rapport ingediend van het [onderneming] (hierna: [onderneming] ). Daarin staat iets anders (pagina 7): “Op grond van de beschikbare informatie kan niet worden vastgesteld of al dan niet sprake was van overbelasting van de gebouwgebonden elektrische installatie van de salon.” [onderneming] schrijft verder dat de brand waarschijnlijk is veroorzaakt doordat er speling zat in de aansluitingen van de draden in de meterkast (pagina 9). De storingen/haperingen in de elektriciteitsvoorziening waar [gedaagde] over heeft geklaagd passen daar ook bij. De kantonrechter gaat daarom mee met de conclusie van [onderneming] dat niet vastgesteld kan worden dat er sprake was van overbelasting van de elektrische installatie door [gedaagde] .
[eiser sub 1] moet de proceskosten van [gedaagde] betalen
3.3.
[eiser sub 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] in conventie worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
1.630,00
(2 punten × € 815,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.765,00
Hoofdelijke veroordeling
3.4.
De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat zowel de heer als mevrouw [eiser sub 1] kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.5.
De proceskostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad, zoals [gedaagde] heeft gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Over de tegenvordering van [gedaagde] (in reconventie)
De schade als gevolg van de brand kan niet aan [eiser sub 1] worden toegerekend
3.6.
[gedaagde] heeft een tegenvordering ingesteld en eist dat [eiser sub 1] € 53.508,94 (plus wettelijke rente en proceskosten) aan schadevergoeding betaalt. Dat is de schade die [gedaagde] stelt te hebben geleden door de brand. De kantonrechter wijst dit grotendeels af.
3.7.
[eiser sub 1] en [gedaagde] zijn het erover eens dat er sprake was van een gebrek in de meterkast. Uit het rapport van [onderneming] blijkt dat er speling zat in de aansluiting van de draden in de meterkast. Waarschijnlijk is de brand daardoor veroorzaakt. In principe is [eiser sub 1] als verhuurder aansprakelijk voor de schade die ontstaat door dat gebrek. Maar dan moet het gebrek wel aan [eiser sub 1] toe te rekenen zijn, en dat is in deze zaak niet zo. [eiser sub 1] valt namelijk niets te verwijten. Dat blijkt uit het volgende:
3.8.
Elke keer nadat [gedaagde] klaagde over problemen met de elektriciteit heeft [eiser sub 1] een elektricien ingeschakeld. Tijdens de zitting hebben [eiser sub 1] en [gedaagde] bevestigd dat er al vóór de opening van de salon op 1 oktober 2022 twee keer een elektricien naar de elektrische installatie heeft gekeken. Daarna waren de problemen enkele maanden afwezig. Toen er op 27 en 28 januari 2023 opnieuw problemen ontstonden, heeft [eiser sub 1] op 31 januari 2023 weer een elektricien langs laten komen. Deze constateerde geen problemen. Omdat de problemen daarna nog niet waren verholpen, heeft [eiser sub 1] op 5 februari 2023 nogmaals (dus voor de vierde keer) een elektricien langs laten komen. Deze constateerde dat de meterkast in zijn geheel vervangen zou moeten worden en dat zou op 10 februari 2023 gebeuren. Deze vervanging is later verplaatst naar 13 februari 2023. Hieruit blijkt dat [eiser sub 1] na klachten van [gedaagde] voortvarend handelde en telkens binnen enkele dagen een elektricien liet komen. Ook de aanbeveling van de elektricien om de meterkast in zijn geheel te laten vervangen, heeft [eiser sub 1] opgevolgd.
3.9.
Bovendien heeft [eiser sub 1] op de zitting verklaard dat het bedrijfspand eerder in gebruik is geweest als kapsalon. Er was daarom geen reden voor [eiser sub 1] om te twijfelen aan de geschiktheid van de elektrische installatie voor het gebruik door [gedaagde] .
[eiser sub 1] moet de borg terugbetalen
3.10.
Een deel van de schade die [gedaagde] van [eiser sub 1] claimt, is eigenlijk geen schade door de brand, maar de borg van € 4.251,00. [eiser sub 1] heeft tijdens de zitting erkend dat de borg nog moet worden terugbetaald. De kantonrechter zal dit deel van de vordering daarom toewijzen.
[eiser sub 1] moet wettelijke rente betalen over de borg
3.11.
[gedaagde] vordert betaling van wettelijke handelsrente over het toegewezen bedrag. Dat wordt toegewezen, want het huren van bedrijfsruimte is een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW. [gedaagde] heeft gevraagd om de rente te berekenen vanaf 24 april 2024, de dag van de dagvaarding. De kantonrechter wijst dat toe, want op die datum was [eiser sub 1] inderdaad in verzuim. Dat betekent dat [gedaagde] op die dag al recht had op terugbetaling van de borg, maar dat [eiser sub 1] die op dat moment nog niet had betaald.
Dictum
De kantonrechter
in conventie
4.1.
wijst de vorderingen van [eiser sub 1] af,
4.2.
veroordeelt [eiser sub 1] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.765,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser sub 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart de onder 4.2. genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
4.4.
veroordeelt [eiser sub 1] hoofdelijk tot betaling aan [gedaagde] van € 4.251,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 april 2024 tot de dag van volledige betaling,
4.5.
veroordeelt [eiser sub 1] hoofdelijk tot betaling aan [gedaagde] van € 637,65 aan buitengerechtelijke incassokosten,
4.6.
verklaart de onder 4.4. en 4.5. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
4.7.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 950,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. G. Boonzaaijer en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2025.
Artikel 6:74 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 6:162 lid 1 BW.
Artikel 7:208 BW.
Zie HvJ EU 9 juli 2020, C-199/19, ECLI:EU:C:2020:548 (RL sp. z o.o./J.M.).