Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-01-15
ECLI:NL:RBMNE:2025:1158
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,127 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/7642
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser,
en
de minister van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft bij beschikking van 9 april 2024 (met CJIB nummer [nummer] ) een administratieve sanctie opgelegd gekregen, vanwege een verkeersovertreding. Aan eiser is daarna op 4 november 2024 een dwangbevel uitgereikt. Eiser heeft vervolgens bij de bestuursrechter beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. De bestuursrechter moet allereerst beoordelen of zij bevoegd is kennis te nemen van dit beroep. Daarvoor moet worden beoordeeld of het beroep van eiser is gericht tegen een besluit waartegen beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter.
3. Eiser heeft bij het beroepschrift een dwangbevel van 4 november 2024 van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) over een administratieve sanctie wegens een verkeersovertreding overgelegd. Op 17 december 2024 heeft eiser een verkeersboete van 9 april 2024 overgelegd. De rechtbank gaat daarom ervan uit dat eiser in beroep opkomt tegen de verkeersboete en tegen het dwangbevel
4. Op grond van artikel 8:5, eerste lid, van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak.
5. In artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak staat dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit dat is genomen op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv).
6. De bestuursrechter stelt vast dat het beroep van eiser onder meer is gericht tegen een verkeersboete. Dat is een administratieve sanctie op grond van de Wahv. Daartegen kan beroep worden ingesteld bij de officier van justitie. De bestuursrechter is niet bevoegd om hiervan kennis te nemen. Dat volgt uit artikel 8:5, eerste lid, van de Awb en de bijbehorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak.
7. Het beroep van eiser is ook gericht tegen het dwangbevel. Hiervoor geldt dat de inning van een administratieve sanctie plaatsvindt door middel een dwangbevel, dat heeft te gelden als een civiel vonnis. Daartegen kan verzet (als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering) worden gedaan bij de kantonrechter. De bestuursrechter is niet bevoegd om hiervan kennis te nemen. Dat staat in artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb.
8. Voor zover het beroepschrift van eiser gaat over de verkeersboete, zal het ter behandeling worden doorgezonden naar de officier van justitie. Voor zover het beroepschrift van eiser gaat over het dwangbevel, dient eiser zich te wenden tot de kantonrechter. Verzet bij de kantonrechter is niet hetzelfde als verzet dat als rechtsmiddel onder deze uitspraak.
9. Omdat de bestuursrechter onbevoegd is, is er afgezien van het heffen van griffierecht.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N.J.R. Kalaykhan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Zie artikel 1:3 van de Awb.
Artikel 6, eerste lid, van de Wahv.
Artikel 26, tweede en derde lid, van de Wahv.
Met toepassing van artikel 6:15 van de Awb.