Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-03-14
ECLI:NL:RBMNE:2025:1070
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
1,555 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/7918
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 maart 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. K. Cras),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker om een veroordeling van de staatssecretaris in de proceskosten.
2. Verzoeker heeft een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aangevraagd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het besluit van 15 oktober 2024 afgewezen. Verzoeker heeft daartegen bezwaar ingesteld en heeft de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen om gedurende de behandeling van het bezwaar te worden behandeld alsof hij een VOG heeft.
3. Met het besluit op bezwaar van 17 januari 2025 heeft de staatssecretaris alsnog besloten dat verzoeker een VOG krijgt. Verzoeker heeft daarom het verzoek voor een voorlopige voorziening ingetrokken en heeft de rechtbank gevraagd om de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
4. De voorzieningenrechter heeft de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. De staatssecretaris heeft hierop gereageerd. Hij stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid omdat de beslissing op bezwaar is gebaseerd op informatie die pas in de bezwaarfase is overgelegd.
5. De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
7. Als een verzoek om een voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift tegemoet is gekomen, kan de voorzieningenrechter dat bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
8. In een voorlopige voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek voor het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
9. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoeker tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. Verzoeker heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek voor een voorlopige voorziening in te dienen. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden.
Is de staatssecretaris aan het verzoek tegemoetgekomen?
10. De staatssecretaris is met het besluit van 17 januari 2025 aan verzoeker tegemoetgekomen, in die zin dat hij alsnog een VOG krijgt. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat verzoeker terecht het verzoek heeft gedaan om hangende het bezwaar te worden behandeld alsof hij in het bezit was van een VOG. Achteraf is immers gebleken dat hij daar recht op had. Dat de informatie waar de staatssecretaris zijn beslissing op bezwaar (kennelijk) op heeft gebaseerd pas in de bezwaarfase is verstrekt, is geen bijzondere omstandigheid zoals hiervoor bedoeld. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om de staatssecretaris in de proceskosten te veroordelen toe.
Welke kosten dient de staatssecretaris te vergoeden?
11. De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoeker heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. Deze gemachtigde heeft een proceshandeling verricht: het indienen van een verzoekschrift. Deze proceshandeling levert één punt op met een waarde van € 907,-. Dat betekent dat de totale proceskosten die de staatssecretaris moet vergoeden € 907,- bedragen. Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend, moet de staatssecretaris de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Conclusie
12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe. De voorzieningenrechter wijst erop dat de staatssecretaris het door verzoeker betaalde griffierecht van € 187,- kan vergoeden. Verzoeker moet zich hiervoor dan ook tot de staatssecretaris wenden.
Dictum
De voorzieningenrechter veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 907,- aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.T. Könning, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.L. Kosterman-Meijer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.
Dat staat in artikel 8:82, zesde lid, van de Awb.