Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2024-09-05
ECLI:NL:RBMNE:2024:7800
vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 11031245 EL 24-8 vonnis van de kantonrechter van 5 september 2024 in de zaak van [eisende partij] , handelend ten behoeve van zichzelf alsmede ten behoeve van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, wonende te [woonplaats] , gemeente Stichtse Vecht, eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie en in het incident, gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces, tegen de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie en in het incident, gemachtigde: USG Legal Professionals. Partijen worden hierna [eisende partij] en Dexia genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 27 maart 2024; de incidentele conclusie ex artikel 843a Rv, tevens conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie; de conclusie van antwoord in het incident tevens conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie tevens vordering ex artikel 843a Rv. 1.2. Dexia heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie ingediend. 1.3. Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen. Het geschil in de hoofdzaak 2. De feiten 2.1. [eisende partij] en zijn toenmalige echtgenote [A] (hierna samen ook te noemen [eisende partij] c.s.), dan wel [eisende partij] hebben de volgende leaseovereenkomsten ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia: Nr. Contractnr. Datum Naam overeenkomst I. [contractnummer] 01-11-2000 Capital Effect Maandbetaling ( [eisende partij] c.s.) II. [contractnummer] 02-11-2000 Capital Effect Maandbetaling ( [eisende partij] ) 2.2. Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat: Nr. Datum eindafrekening Resultaat Betaald I. 28-07-2006 - € 1.578,94 Ja II. 28-07-2006 - € 1.626,62 Ja 2.3. Volgens opgave van Dexia heeft [eisende partij] c.s./ [eisende partij] op grond van de overeenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 15.813,34 aan maandtermijnen en een bedrag van € 3.205,56 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [eisende partij] c.s/ [eisende partij] € 2.504,44 aan dividenden ontvangen en € 961,07 aan fiscaal voordeel genoten. 2.4. De gemachtigde van [eisende partij] , Leaseproces, heeft bij brief van 21 maart 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren. 3 De vordering en het verweer in conventie, in reconventie en in de incidenten 3.1. [eisende partij] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: - in het incident: Dexia ex artikel 843a Rv zal veroordelen de aanvraagformulieren en haar versie van de ondertekende overeenkomsten aan [eisende partij] te verstrekken, - in de hoofdzaak: voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisende partij] en/of toerekenbaar is tekort geschoten, voor recht zal verklaren dat [eisende partij] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden, Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eisende partij] van al datgene dat [eisende partij] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eisende partij] , met rente, Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente. 3.2. Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een incidentele vordering en een tegenvordering, waarbij Dexia vordert (samengevat) dat de kanto Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd. 4.6. De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [eisende partij] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [eisende partij] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eisende partij] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eisende partij] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eisende partij] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard. 4.7. [eisende partij] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende: [eisende partij] c.s. werd ongevraagd telefonisch benaderd door De Jong Financieel Advies B.V. De medewerker vroeg of [eisende partij] c.s. interesse had in een financieel adviesgesprek met een financieel adviseur van De Jong Financieel Advies B.V. Omdat [eisende partij] c.s. wilde sparen voor een bruiloft is hij akkoord gegaan met een huisbezoek. Er hebben vervolgens meerdere huisbezoeken plaatsgevonden. Tijdens het eerste huisbezoek heeft de financieel adviseur van De Jong Financieel Advies B.V., te weten de heer [C] (hierna te noemen: de adviseur), geïnformeerd naar de financiële situatie en financiële wensen van [eisende partij] c.s. Daarbij kwam het dienstverband en de manier van sparen van [eisende partij] c.s. ter sprake. Voorts had [eisende partij] c.s. gesproken over de wens om vermogen op te bouwen voor de bruiloft. De adviseur gaf aan hier een geschikt product voor te hebben en adviseerde [eisende partij] c.s. om een Capital Effect product af te sluiten. De adviseur adviseerde aan de hand van de beschikbare financiële ruimte van [eisende partij] c.s. om twee Capital Effect overeenkomsten met een maandelijkse inleg van ongeveer NLG 250,- per overeenkomst af te sluiten. Volgens de adviseur was het Capital Effect een veilig product om v Het had op haar weg gelegen om daarop controle uit te oefenen en ervoor te zorgen dat zij wel over concrete informatie beschikte over de totstandkoming van een contract en de daarbij betrokken (medewerker van de) tussenpersoon. Daarom wordt uitgegaan van de juistheid van de door [eisende partij] geschetste gang van zaken nu Dexia deze onvoldoende heeft weersproken. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. wetenschap Dexia 4.10. [eisende partij] stelt dat Dexia wist, althans behoorde te weten, dat de tussenpersoon een op de persoon van [eisende partij] toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. Dexia betwist dit. Uit diverse uitspraken volgt dat Dexia ermee bekend moet zijn geweest dat tussenpersonen op grote schaal individueel persoonlijk financieel advies gaven. Hoewel in dit geval niet is gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [eisende partij] , had het op de weg van Dexia gelegen om bij de totstandkoming van de overeenkomsten met [eisende partij] , actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomsten is aangegaan op advies van de tussenpersoon, om te kunnen beoordelen of zij de overeenkomsten met [eisende partij] kon en mocht aangaan. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht is gesteld noch gebleken. Zij had derhalve behoren te weten dat [eisende partij] door de tussenpersoon is geadviseerd. aansprakelijkheid Dexia 4.11. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [eisende partij] de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [eisende partij] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [eisende partij] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia. 4.12. [eisende partij] heeft met een beroep op het bepaalde in artikel 3:171 van het Burgerlijk Wetboek aanspraak gemaakt op de totale schadevergoeding. Dexia heeft betwist dat [eisende partij] aanspraak kan maken op de gehele schadevergoeding omdat (ten aanzien van overeenkomst I.) sprake is van twee contractspartijen. Nu sprake is van medecontractanten die ieder recht hebben op de helft van de schadevergoeding, is geen sprake van een deelgenootschap in de door [eisende partij] bedoelde zin. Dit betekent dat de vordering van [eisende partij] als na te melden toewijsbaar is. vorderingen van [eisende partij] 4.13. De door [eisende partij] gevorderde verklaringen voor recht worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eisende partij] heeft gehandeld door [eisende partij] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eisende partij] niet alleen als klant aanbracht maar [eisende partij] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat. Dexia zal als gevolg hiervan ten aanzien van overeenkomst II. de geleden schade aan [eisende partij] moeten vergoeden. Ten aanzien van overeenkomst I. geldt dat Dexia de helft van de geleden schade aan [eisende partij] zal moeten vergoeden. 4.14. De door [eisende partij] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomst Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Al met al oordeelt de kantonrechter dat de incidentele vordering van Dexia moet worden afgewezen. 4.19. De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eisende partij] worden begroot op € 82,00. vorderingen Dexia 4.20. Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen. proceskosten 4.21. Omdat [eisende partij] grotendeels inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eisende partij] gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op: - dagvaarding € 135,97 - griffierecht € 86,00 - salaris gemachtigde € 542,00 (2 x tarief € 271,00) - nakosten € 135,00 Totaal € 898,97. 4.22. De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen. 5 Beslissing De kantonrechter in de incidenten in het incident ex. artikel 843a Rv tot afgifte van de aanmeldformulieren en overeenkomsten 5.1. wijst de vordering van [eisende partij] af, 5.2. compenseert de proceskosten, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt, in het incident ex. artikel 843a Rv tot afgifte van het intakeformulier 5.3. wijst de vordering van Dexia af, 5.4. veroordeelt Dexia in proceskosten van [eisende partij] , tot op heden begroot op € 82,00, in de hoofdzaak in conventie 5.5. verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eisende partij] heeft gehandeld door [eisende partij] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eisende partij] niet alleen als klant aanbracht maar [eisende partij] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat, 5.6. veroordeelt Dexia om ten aanzien van de overeenkomst met nummer [contractnummer] aan [eisende partij] te betalen de helft van de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover zoals weergegeven in r.o. 4.14., 5.7. veroordeelt Dexia om ten aanzien van de overeenkomst met nummer [contractnummer] aan [eisende partij] te betalen de gehele schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover zoals weergegeven in r.o. 4.14., 5.8. veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 898,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen, 5.9. veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan, 5.10. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, 5.11. wijst het meer of anders gevorderde af, in reconventie 5.12. wijst de vorderingen af, 5.13. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eisende partij] gevallen, tot op heden begroot op nihil. Aldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 september 2024 in tegenwoordigheid van de griffier. typ: FB coll: In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135). zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462 en gerechtshof D