Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-11-25
ECLI:NL:RBMNE:2024:7736
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
1,797 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6737
uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 november 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] (verzoekster), en [verzoeker] (verzoeker), uit [plaats] , verzoekers
(gemachtigde: mr. I.P.J.F. van Oijen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder.
Inleiding
1. Met het bestreden besluit van 22 oktober 2024 heeft verweerder het recht van verzoekers op bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) per 6 juni 2024 ingetrokken en de teveel ontvangen bijstand vanaf 6 juni 2024 ten bedrage van € 6.779,20 (na verrekening
€ 6.763,92) van verzoekers teruggevorderd.
2. Volgens verweerder hebben verzoekers de inlichtingenplicht geschonden, door geen melding te maken van de Ierse bankrekening eindigend op [banknummer 1] die op naam van verzoekster staat en waarop op 6 juni 2024 een bedrag van € 1.581,- is overgemaakt. Omdat verzoekers geen bankafschriften van die rekening hebben overgelegd en geen bewijsstukken hebben gegeven van de herkomst van het bedrag van € 1.581,- kan verweerder het recht op bijstand niet vaststellen.
3. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
Beoordeling
5. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt.
7. Verzoekers voeren hierover aan dat zij zonder bijstandsuitkering niet kunnen voorzien in hun levensonderhoud. Ter onderbouwing hebben verzoekers verwezen naar de bankafschriften van hun bankrekening eindigend op [banknummer 2] over de periode van 29 juli 2024 tot en met 28 oktober 2024 en een overzicht van hun huurachterstand.
8. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekers hebben aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van omstandigheden die maken dat vanwege onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Het is de voorzieningenrechter onduidelijk of verzoekers met de overgelegde bankafschriften een volledig beeld van hun financiële situatie hebben gegeven. Verzoekers hebben namelijk geen afschriften van de Ierse bankrekening eindigend op [banknummer 1] overgelegd, die volgens de bankafschriften op naam van verzoekster lijkt te staan. Dit terwijl de griffier in de brief van 31 oktober 2024 uitdrukkelijk heeft verzocht om kopieën van bankafschriften van alle betaal- en spaarrekeningen van verzoek(st)er van de afgelopen drie maanden, waarop het saldo zichtbaar is. Omdat er geen andere onderbouwde verklaring is gegeven over de betreffende overschrijving van de Ierse rekening, kan de voorzieningenrechter zonder afschriften van die Ierse bankrekening niet vaststellen wat verzoekers totaal aan saldo op hun bankrekeningen hebben staan en wat zij aan inkomsten (hebben) ontvangen.
9. Uit de wel overgelegde bankafschriften van hun bankrekening eindigend op [banknummer 2] blijkt dat verzoekers, naast de bijstandsuitkering tot en met 24 september 2024, maandelijks voorschotten zorg- en huurtoeslag en kindgebonden budget ontvangen van de Belastingdienst en per kwartaal kinderbijslag van de SVB. Op de bankafschriften zijn veelvuldige pinbetalingen te zien bij supermarkten, slagerijen, drogisterijen, bakkerijen, lunchrooms en kledingwinkels. Verder zijn er bijschrijvingen met omschrijvingen als ‘denim blouse’, ‘vest’, ‘vis’ (2x), ‘hoofddoeken’, en afschrijvingen met omschrijving ‘chocola’, ‘koreanskincare’, ‘drinken’, ‘eten’ en ‘bowlen’. Ook is op 12 oktober 2024 een bedrag van € 750,- van de bankrekening opgenomen. De voorzieningenrechter oordeelt dat hieruit niet kan worden afgeleid dat verzoekers in ‘broodnood’ verkeren.
Uit het overzicht van de huurachterstand volgt dat verzoekers over augustus 2024 nog
€ 3,36 moeten overmaken aan huur en over november 2024 nog € 636,36 moeten betalen. Van aanmaningen of dreigende afsluitingen of uithuiszetting is de voorzieningenrechter niet gebleken. Dat verzoekers de bezwaarprocedure niet kunnen afwachten en onmiddellijk (financiële) hulp nodig hebben, ziet de voorzieningenrechter ook gelet hierop niet. Er is daarom niet gebleken dat sprake van een situatie die een onmiddellijke voorziening vereist. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is.
10. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoekers geen spoedeisend belang hebben, kan de door hun gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken niet evident is dat het bestreden besluit geen stand zal kunnen houden. Verzoekers hebben tot op heden de bankafschriften van de Ierse bankrekening, die op naam van verzoekster lijkt te staan, niet overgelegd. Omdat over de betreffende overschrijving ook geen andere onderbouwde verklaring is gegeven, is hun financiële situatie voor verweerder niet vast te stellen.
11. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoekers te laten uitvallen. Het verzoek wordt afgewezen.
Conclusie
12. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. E.E.M. van Abbe, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2024.
De voorzieningenrechter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.