Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-11-15
ECLI:NL:RBMNE:2024:7735
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
2,753 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6058
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 november 2024 in de zaak tussen
[verzoeker] (verzoeker) en [verzoekster] (verzoekster), uit [plaats] , verzoekers
(gemachtigde: mr. C. de Vries),
en
Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug, verweerder
(gemachtigde: V.V. Tuchkova).
Inleiding
Wat is er – in de kern – gebeurd?
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoekers om bijstand op grond van de Participatiewet (Pw).
2. Verzoekers zijn met elkaar gehuwd en hebben drie kinderen. Verzoekster heeft zich op 18 februari 2024 bij verweerder gemeld voor een bijstandsuitkering. Op 25 februari 2024 heeft zij een aanvraag ingediend. Aan haar aanvraag heeft verzoekster ten grondslag gelegd dat verzoeker sinds 12 februari 2024 in Duitsland is gedetineerd en dat zij daardoor geen inkomen meer heeft. Op 8 augustus 2024 is verzoeker vrijgelaten uit detentie.
3. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 20 maart 2024 buiten behandeling gesteld, omdat verzoekster niet de gevraagde gegevens binnen de gegeven tijd heeft ingeleverd. Naar aanleiding van een telefonisch contact met verzoekster, hebben zij en verweerder afgesproken dat verzoekster een nieuwe aanvraag indient. Aan verzoekster is wel in totaal € 3.300,- aan voorschotten verleend.
4. Verzoekster heeft op 20 mei 2024 opnieuw een aanvraag voor een bijstandsuitkering ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 17 september 2024 (primair besluit I) afgewezen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
5. Bij besluit van 26 september 2024 (primair besluit II) heeft verweerder primair besluit I ingetrokken en de aanvraag om bijstand van verzoekers opnieuw afgewezen. Op grond van artikel 8:81, vierde lid, juncto artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hebben het bezwaar en het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekers mede betrekking op primaire besluit II.
6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 31 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
8. De voorzieningenrechter stelt vast dat het primaire besluit I geheel is vervangen door het primaire besluit II. Niet gesteld of gebleken is dat verzoekers nog belang hebben bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het primaire besluit 1. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek, voor zover gericht tegen het primaire besluit 1, dan ook niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.
9. Uit het primaire besluit II volgt dat het primaire besluit I uit eigen beweging door verweerder is vervangen omdat in primair besluit I per abuis een onjuist bedrag aan voorschotten was opgenomen dat wordt teruggevorderd. De voorzieningenrechter ziet daarom in de vervanging van het besluit I door het besluit II hangende de bezwaarprocedure geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekers.
Spoedeisend belang
10. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat zij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
11. Verzoekers voeren hierover aan dat zij in een acute financiële noodsituatie verkeren. Ter onderbouwing hiervan verwijzen zijn naar de bankafschriften ten name van [verzoeker] eindigend op [bankrekeningnummer 1] en [bankrekeningnummer 2] , de bankafschriften ten name van [persoon] eindigend op [bankrekeningnummer 3] en [bankrekeningnummer 4] , een dwangbevel van 11 september 2024 van de Bghu betreffende een openstaand bedrag van € 1.234,24, een overzicht van openstaande facturen bij Vattenfal en een e-mailbericht van een deurwaarderskantoor over de openstaande schuld bij de woonstichting van € 3.346,82 tot en met september 2024.
12. De voorzieningenrechter ziet in de stellingen van verzoekers onvoldoende aanknopingspunt voor het oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang en dat een voorlopige voorziening moet worden getroffen. De voorzieningenrechter stelt hiertoe vast dat de hier te beoordelen periode loopt van 20 mei 2024 (datum aanvraag bijstand) tot en met 26 september 2024 (datum afwijzing aanvraag). De aanvraag ziet op verzoekster als alleenstaande, omdat op het moment van de aanvraag verzoeker gedetineerd was. Op 8 augustus 2024 is verzoeker vrijgelaten en vanaf dat moment zijn verzoekers weer samen. Daarmee is de reden van de aanvraag vervallen. Voor zover verzoekers op de zitting hebben verklaard dat zij geen inkomsten hebben, omdat verzoeker in de tussentijd arbeidsongeschikt is geraakt door een auto-ongeluk, ontbreekt daarbij een onderbouwing. Bovendien geldt dat verzoekers voor die situatie bijstand naar de norm voor gehuwden dienen aan te vragen.
Hoewel verzoekers hebben aangetoond op dit moment diverse betalingsachterstanden te hebben, is niet gebleken dat verzoekers een financieel belang hebben in die zin dat zij op korte termijn uit huis worden gezet of worden afgesloten van water, gas of elektriciteit. Sterker nog, ter zitting hebben verzoekers verklaard zojuist aangesloten te zijn bij een nieuwe energieleverancier. Ook is niet gebleken dat verzoekers geen betalingsregeling kunnen treffen voor de opgelopen betaalachterstanden. Daarnaast is van belang dat verzoekers niet alle gevraagde bankgegevens hebben overgelegd. Uit de bankgegevens die door verzoekers zijn overgelegd blijkt dat er nog twee bankrekeningen zijn op naam van verzoekster, eindigend op [bankrekeningnummer 5] en [bankrekeningnummer 6] . Ondanks het feit dat aan verzoekers is verzocht om afschriften van al hun rekeningen over te leggen, hebben zij nagelaten om afschriften van deze twee rekeningen in te brengen. Het betoog van verzoekers op de zitting dat de bankrekeningen eindigend op [bankrekeningnummer 5] en [bankrekeningnummer 4] één en dezelfde zijn, kan de voorzieningenrechter zonder nadere onderbouwing niet volgen. Verder blijkt uit de wel verstrekte bankafschriften dat de huur is voldaan in september 2024, dat verzoekers regelmatig bedragen van derden ontvangen en dat verzoekers bedragen overschrijven naar hun spaarrekening. Hieruit volgt ook niet dat het voor verzoekers niet mogelijk is om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien.
13. Gelet op al deze omstandigheden is niet gebleken dat verzoekers op dit moment in een zodanige financiële noodsituatie verkeren, dat zij niet meer in hun basisbehoefte kunnen voorzien. Het spoedeisend belang ontbreekt.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
14. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoekers geen spoedeisend belang hebben, kan de door hun gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken niet evident is dat het bestreden besluit geen stand zal kunnen houden.
15. Verweerder heeft aan de afwijzing van de aanvraag mede ten grondslag gelegd dat verzoekster tegenstrijdige verklaringen heeft afgegeven, die niet overeenkomen met wat zichtbaar is op de bankafschriften. Daarnaast ontbreken de bankafschriften van de rekeningen eindigend op [bankrekeningnummer 5] en [bankrekeningnummer 6] . Het recht op bijstand kan daarom niet worden vastgesteld. Verder is door bijschrijvingen en contante stortingen op de rekeningen in combinatie met het uitgavepatroon en de verklaringen van vezoekster niet duidelijk of zij in bijstand behoevende omstandigheden verkeerde.
16. Verzoekers voeren hiertegen - kort gezegd - aan dat zij alle gevraagde informatie hebben overgelegd.
17. De voorzieningenrechter oordeelt dat het, gelet op de op verzoekers rustende bewijslast, op hun weg lag om de gerezen twijfel over hun financiële situatie weg te nemen. Verzoekers zijn daar niet in geslaagd. Verzoekers hebben niet alle door verweerder gevraagde gegevens overgelegd dan wel voldoende onderbouwd waarom deze gegevens niet konden worden overgelegd. Verder heeft verzoekster tegenstrijdig verklaard over een rekening op naam van verzoeker. Op 22 mei 2024 heeft verzoekster verklaard dat zij niet kan beschikken over deze rekening en dat deze rekening niet wordt gebruikt. Uit de later overgelegde bankafschriften blijkt dat verzoekster wel degelijk gebruik maakt van deze rekening.
Belangenafweging
18. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het bestreden besluit naar de voorlopige beoordeling van de voorzieningenrechter niet onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoekers te laten uitvallen.
19. De voorzieningenrechter wijst het verzoek, gericht tegen het primaire besluit II, af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- verklaart het verzoek, gericht tegen het besluit van 17 september 2024 (primair besluit I), niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek, gericht tegen het besluit van 26 september 2024 (primair besluit II), af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
15 november 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.