Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-10-17
ECLI:NL:RBMNE:2024:7728
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,858 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1895
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. D. Gurses),
en
Het dagelijks bestuur van de RDWI, Regionale Sociale Dienst, verweerder
(gemachtigde: A.C. Hoogendoorn).
Procesverloop
Bij besluit van 4 september 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor de kosten van verhuizing en inrichting afgewezen.
Bij besluit van 6 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2024. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser heeft sinds 2011 bij familie en vrienden gewoond en staat ook vanaf dat moment bij Woningnet ingeschreven. In 2020 is eiser gehuwd en in 2022 is de echtgenote van eiser naar Nederland gekomen. In juli 2023 is aan eiser een woning toegewezen. Eiser heeft op 4 augustus 2023 bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten aangevraagd.
2. Verweerder heeft in het bestreden besluit de afwijzing gehandhaafd. Volgens verweerder voldoet eiser niet aan de voorwaarden voor bijzondere bijstand. De verhuis- en inrichtingskosten zijn incidentele algemene kosten van het bestaan. Hiervoor wordt in beginsel geen bijzondere bijstand verleend, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die noodzaken tot bijstandsverlening. Volgens verweerder is daar in het geval van eiser geen sprake van. Er is niet gebleken dat de verhuizing noodzakelijk was. De verhuizing was voorzienbaar en eiser heeft voor de kosten hiervan kunnen reserveren.
3. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat er wel sprake is van een noodzaak tot verhuizen. Zijn woonsituatie is gewijzigd: zijn echtgenote is naar Nederland gekomen, de woning van familie waar eiser met zijn echtgenote verbleef is te klein geworden en de psychische en lichamelijke problemen van eiser zijn verergerd. Ter zitting heeft eiser gesteld dat zijn medische situatie alleen al noodzaak gaf tot verhuizing. Daarbij heeft hij verwezen naar de informatie van de huisarts van 15 augustus 2023 (gedingstuk B5).
4. De beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de verhuizing noodzakelijk is geweest. De informatie van de huisarts geeft daarvoor onvoldoende onderbouwing. Uit de informatie van de huisarts volgt weliswaar dat eiser lichamelijke klachten heeft, maar daaruit volgt niet dat hij psychische klachten heeft. Ook volgt uit de informatie niet dat de lichamelijk klachten van eiser zodanig zijn dat een verhuizing noodzakelijk is. De overige genoemde omstandigheden, de komst van zijn echtgenote en de te klein geworden woning, geven op zichzelf en samen gezien ook onvoldoende onderbouwing om de verhuizing noodzakelijk te achten. Dat de komst van de echtgenote van eiser naar Nederland ervoor heeft gezorgd dat de woning waar eiser verbleef erg vol was is hiertoe onvoldoende. Eiser heeft in dit kader aangegeven dat er zes volwassenen woonden in een 4-kamerappartement. Hieruit blijkt echter niet dat sprake was van een onhoudbare situatie.
5. Eiser heeft ook aangevoerd dat de verhuizing niet voorzienbaar is geweest, omdat die ingegeven is door de veranderde woonsituatie (de komst van zijn echtgenote, de te krappe woning en de verergering van eisers klachten). Dat eiser al sinds 2011 staat ingeschreven bij Woningnet, maakt niet dat de verhuizing voorzienbaar is.
6. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met zijn stellingen niet aannemelijk gemaakt dat de verhuizing niet voorzienbaar is geweest. Eiser heeft sinds 2011 ingeschreven gestaan bij Woningnet voor een nieuwe woning. Dan is voorzienbaar dat eiser op enig moment gaat verhuizen. Dat eiser pas daadwerkelijk is verhuisd nadat zijn woonsituatie is gewijzigd door de komst van zijn echtgenote, maakt niet dat geen sprake was van een voorzienbare verhuizing.
7. Eiser heeft verder aangevoerd dat hij ook niet heeft kunnen reserveren voor de verhuis- en inrichtingskosten. Eiser heeft een zorgplicht voor zijn zoon, hij heeft gokproblemen en in 2009 heeft de gemeente Utrecht ten onrechte de bijstandsuitkering van eiser beëindigd waardoor hij dakloos is geraakt. Verder heeft eiser schulden.
8. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet heeft kunnen reserveren voor de verhuis- en inrichtingskosten. Niet in geschil is dat eiser in de periode vanaf de inschrijving bij Woningnet een minimuminkomen heeft gehad. Uit de door eiser overgelegde bankafschriften is niet gebleken dat eiser geen mogelijkheid tot reservering had. Eiser heeft niet nader onderbouwd dat hij wegens de zorgplicht van zijn zoon, zijn gokproblemen en de beëindiging van zijn bijstandsuitkering in 2009 niet in staat was om te reserveren. Verder heeft eiser gesteld schulden te hebben, maar dit niet nader onderbouwd. Dat hij zelf de keuze heeft gemaakt om zijn inkomen op andere wijze te besteden, betekent niet dat hij geen reserveringsruimte had. Het gevolg van eisers eigen keuzes kan niet op de bijstand worden afgewenteld.
9. Eiser heeft ten slotte gesteld dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan. Het bestreden besluit is volgens eiser niet zorgvuldig tot stand gekomen en niet toereikend gemotiveerd.
10. De beroepsgrond slaagt niet. Het is aan eiser als aanvrager om aannemelijk te maken dat hij in aanmerking komt voor bijzondere bijstandsverlening. Verweerder heeft in het bestreden besluit de genoemde omstandigheden van eiser kenbaar meegewogen en toereikend gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor bijzondere bijstandsverlening in aanmerking komt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aanvraag op goede gronden afgewezen.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2024
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Artikel 35, eerste lid van de Pw en artikelen 11 en 12 van de Beleidsregel bijzondere bijstand RDWI 2021
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), 8 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:519.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 17 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:154