Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-07-19
ECLI:NL:RBMNE:2024:7702
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
3,532 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Lelystad
zaaknummer: C/16/546550 / FL RK 22-972
Gezag en omgang
Beschikking van 19 juli 2024
in de zaak van:
[de vader]
,
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. I.M.G. Maste,
tegen
[de moeder]
,
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. L.D.H. Lesmeister.
Procesverloop
1.1.
Bij beschikking van 19 december 2022 heeft de rechtbank een voorlopige beslissing genomen over de omgang en de verdere beslissing over het gezag en de omgang aangehouden in afwachting van het Raadsonderzoek. Het verzoek over de kinderalimentatie is aangehouden in afwachting van de aan de vader gegeven verweertermijn. Bij beschikking van 13 juli 2023 heeft de rechtbank een beslissing genomen over de kinderalimentatie.
1.2.
De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
het Raadsrapport van 14 juli 2023, binnengekomen op 18 juli 2023;
een bericht van de vader, binnengekomen op 27 augustus 2023;
een bericht van de moeder, binnengekomen op 28 augustus 2023;
een bericht van de vader (met bijlagen), binnengekomen op 8 mei 2024.
1.3.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van
22 mei 2024. Daarbij waren aanwezig:
de vader met zijn advocaat;
de moeder met haar advocaat;
de heer [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen de Raad).
1.4.
De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de minderjarige [minderjarige 1] , de hierna vermelde dochter van de ouders, in de gelegenheid te stellen om aan de kinderrechter te vertellen wat zij van de verzoeken vindt. De kinderrechter is daartoe alleen verplicht bij kinderen die twaalf jaar of ouder zijn. Als ze jonger zijn mág de kinderrechter dat doen.
2Waar de procedure over gaat
2.1.
Voor de vaststaande feiten wordt verwezen naar de beschikkingen van
19 december 2022 en 13 juli 2023.
2.2.
De verzoeken betreffen het kind van partijen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] .
[minderjarige 1] woont bij de moeder.
2.3.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige 1] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over [minderjarige 1] moeten nemen.
2.4.
Bij beschikking van 16 mei 2018 is een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 1] vastgesteld:
eenmaal per 14 dagen op zaterdag van 10.00 uur tot 19.30 uur onder begeleiding van twee personen die betrokken zijn bij de Eigen Kracht Conferentie;
in de tussengelegen week een omgangsmoment (dagdeel) onder begeleiding van twee personen die betrokken zijn bij de Eigen Kracht Conferentie uit het netwerk van de moeder.
2.5.
Bij beschikking van 19 december 2022 heeft de rechtbank beslist dat de zorgregeling, zoals vastgelegd in de beschikking van 16 mei 2018, herleeft onder de voorwaarde dat de ouders of de zus (samen met één van de ouders) van de vader bij de omgang aanwezig is.
2.6.
De verzoeken die nog voorliggen zijn het verzoek van de vader om een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige 1] om de week van vrijdag uit school tot maandag naar school en de helft van de schoolvakantie bij de vader verblijft, waarbij de omgang onbegeleid is en het verzoek van de moeder om haar voortaan alleen met het gezag over [minderjarige 1] te belasten.
Beoordeling
Gezag
3.1.
De rechtbank zal beslissen dat de moeder voortaan alleen het gezag over [minderjarige 1] heeft. Dit betekent dat de moeder voortaan alleen de beslissingen over [minderjarige 1] mag nemen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
3.2.
Het wettelijk uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen, ook als zij uit elkaar zijn. De rechtbank kan anders beslissen indien er een gevaar is dat het kind klem of verloren raakt of indien het anderzijds niet in het belang van het kind zou zijn. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
3.3.
De vader is in 2014 veroordeeld voor doodslag ten aanzien van [minderjarige 2] (het overleden kind van de ouders) in 2012 en voor poging tot doodslag ten aanzien van [minderjarige 1] in 2013. Ondanks dat de vader deze feiten nog altijd ontkent, staat dit voor de rechtbank gelet op de onherroepelijke veroordeling door de rechtbank Gelderland en door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vast. De vader is in 2017 uit detentie gekomen en heeft zijn leven inmiddels weer opgebouwd. Ten tijde van de detentie is de moeder regelmatig met [minderjarige 1] bij de vader op bezoek geweest en sinds de vader weer vrij is gekomen vindt er om de week omgang plaats op zaterdag van 10.00 uur tot 19.30 uur onder begeleiding van de ouders en/of de zus van de vader.
3.4.
De moeder is lang achter de vader blijven staan en geloofde aanvankelijk in zijn onschuld. In de loop der jaren echter is er bij de moeder steeds meer besef gekomen over wat er is gebeurd. De doodslag/poging doodslag op haar kinderen zijn voor de moeder zeer traumatiserend geweest. Zij blijft hier last van houden. Inmiddels is de verhouding en communicatie tussen de ouders verslechterd en ervaart moeder dat overleg met de vader over gezagsbeslissingen voor haar te confronterend is. Ook vindt zij dat de vader onvoldoende betrokken is bij [minderjarige 1] en is het verkrijgen van toestemming van de vader volgens de moeder al meermaals moeizaam verlopen. Wel heeft de moeder altijd achter begeleid contact tussen de vader en [minderjarige 1] gestaan en vindt zij het belangrijk dat dat wordt voortgezet.
3.5.
Volgens de vader moet het gezamenlijk gezag in stand blijven. Hij voert daartoe aan dat hij zich aan de afspraken houdt, zijn toestemming geeft indien nodig en betrokken is bij de school van [minderjarige 1] . De veroordeling is een feit, maar sindsdien voeren de ouders al jaren gezamenlijk het gezag over [minderjarige 1] uit. Er is volgens de vader dan ook geen wijziging van omstandigheden die maakt dat het gezamenlijk gezag niet in stand kan blijven.
3.6.
De rechtbank vindt het in dit geval net als de Raad van wezenlijk belang dat de vader de feiten waarvoor hij is veroordeeld nog altijd ontkent. Om die reden heeft er ook nooit behandeling van de vader plaatsgevonden en is er geen ruimte voor een gesprek over de gevolgen van die veroordeling voor de moeder en voor [minderjarige 1] . [minderjarige 1] weet inmiddels in grote lijnen wat er gebeurd is, maar gelet op haar leeftijd heeft zij nog geen volledig besef van het overlijden van [minderjarige 2] en haar eigen ziekenhuisopname en de rol van de vader hierin. De verwachting van de bij [minderjarige 1] betrokken hulpverlening en de Raad is dat er bij [minderjarige 1] steeds meer besef en vragen zullen komen en dat zij daar de komende jaren extra ondersteuning bij nodig zal hebben. De vader heeft al eerder verklaard dat hij extra psychologische hulp voor [minderjarige 1] (nog) niet nodig vindt en de Raad is bang dat de benodigde ondersteuning onvoldoende van de grond komt als de toestemming van de vader daarvoor nodig is. Dat zou namelijk betekenen dat de vader toestemming moet geven voor een behandeling voor iets wat hij ontkent. Dat terwijl voor de verwerking bij [minderjarige 1] juist nodig is dat de vader zijn aandeel erkent en begrip heeft voor de gevoelens van [minderjarige 1] daarover.
3.7.
Verder is de rechtbank ook met de Raad van oordeel dat van de moeder gelet op alles wat er is gebeurd niet kan worden verwacht dat zij nog langer samen met de vader beslissingen over [minderjarige 1] moet nemen. Het door de vader aangevoerde feit dat de moeder het gezag sinds de veroordeling al jaren met de vader uitoefent, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Zoals hiervoor beschreven heeft de moeder lang in de onschuld van de vader geloofd, maar is zij naar eigen zeggen in de loop der jaren gaan beseffen dat al het bewijs en de veroordelingen geen andere verklaring kunnen hebben dan dat het de vader is die de kinderen dit leed heeft aangedaan. Dat is voor de moeder een niet te verwerken trauma wat telkens tot een emotionele confrontatie leidt als zij voor belangrijke beslissingen de toestemming van de vader nodig heeft. Ook voor [minderjarige 1] zal het de komende periode, als zij meer besef van alles krijgt, mogelijk lastig worden dat de vader nodig is om beslissingen over haar te nemen. Volgens de Raad is het aan [minderjarige 1] al helemaal niet uit te leggen dat indien de moeder iets zou overkomen, de vader zelfstandig beslissingen over haar kan nemen en zij zelfs bij de vader zou moeten gaan wonen.
3.8.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voortzetting van het gezamenlijk gezag niet in het belang van [minderjarige 1] is. De rechtbank zal daarom beslissen dat de moeder voortaan alleen met het gezag over [minderjarige 1] zal zijn belast. De moeder heeft laten zien dat zij in het belang van [minderjarige 1] handelt en gelet op haar houding en verklaringen heeft de rechtbank er net als de Raad vertrouwen in dat zij de vader zal blijven informeren over [minderjarige 1] en dat zij het contact tussen de vader en [minderjarige 1] zal blijven faciliteren en stimuleren.
Omgangsregeling
3.9.
De rechtbank zal het verzoek van de vader om de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige 1] uit te breiden naar een onbegeleide omgangsregeling afwijzen. Dat betekent dat de omgangsregeling zoals eerder bij beschikking van 16 mei 2018 en 19 december 2022 is vastgesteld in stand zal blijven. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
3.10.
Volgens de vader verloopt de omgang tussen de vader en [minderjarige 1] al geruime tijd goed en hebben zij fijn contact met elkaar. Er is dan ook geen reden meer om de omgang te laten begeleiden door zijn ouders en/of zijn zus. Die eis zorgt er namelijk voor dat de omgang niet altijd door kan gaan als zijn ouders niet beschikbaar zijn. Verder is de constante begeleiding te belastend en zal er toch een dag moeten komen dat de vader en [minderjarige 1] onbegeleid contact kunnen hebben, aldus de vader. De vader heeft zijn straf voor de veroordeling uitgezeten en het reclasseringstraject is afgesloten. Volgens de vader is het recidiverisico laag en is er in ieder geval geen gevaar meer voor [minderjarige 1] omdat hij is veroordeeld voor (een poging tot) het dood schudden van een baby en [minderjarige 1] inmiddels 10 jaar oud is.
3.11.
De moeder vindt het belangrijk dat er contact is tussen de vader en [minderjarige 1] , maar is het niet eens met onbegeleide omgang. Zij maakt zich daarvoor te veel zorgen over de veiligheid van [minderjarige 1] . Het klopt dat [minderjarige 1] inmiddels geen baby meer is die door schudden levensbedreigend letsel kan worden toegebracht, maar voor de moeder blijft [minderjarige 1] het kind dat door de vader bijna om het leven is gebracht nadat hij het andere kind van de ouders al eerder om het leven heeft gebracht.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat het gezag over [minderjarige 1] vanaf nu alleen toekomt aan de moeder;
4.2.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
bepaalt dat de ouders hun eigen proceskosten betalen;
4.4.
wijst de verzoeken van de ouders voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.A.A. ter Meer-Siebers, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. L. de Kroon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2024.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Artikel 809 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.