Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-12-09
ECLI:NL:RBMNE:2024:7699
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,431 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/3681
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats 2] , eiseres
(gemachtigde: K. Loef),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder.
Als derde-partij neemt aan het geding deel [werkneemster] te [plaats 1] , werkneemster.
Inleiding
1. Deze zaak gaat over de WIA-uitkering van werkneemster. In het besluit van 18 juli 2022 (het primaire besluit) heeft het Uwv aan werkneemster meegedeeld dat zij met ingang van 29 juni 2022 recht heeft op een WIA-uitkering, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 76,38%. Tegen deze beslissing is zowel door eiseres als werkneemster bezwaar gemaakt. In het besluit van 21 juni 2023 (het bestreden besluit) zijn de bezwaren ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld omdat zij meent dat werkneemster volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op 29 mei 2024 heeft de rechtbank in deze zaak een tussenuitspraak gedaan (de tussenuitspraak). Voor het procesverloop tot dat moment verwijst de rechtbank naar die uitspraak.
2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het Uwv in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
3. Het Uwv heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend. Eiseres heeft hierop schriftelijke gereageerd.
4. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.
De kern van de tussenuitspraak
5. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het bestreden besluit gebrekkig is, omdat het onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Het Uwv heeft met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ontoereikend gemotiveerd waarom werkneemster niet beperkt is ten aanzien van haar hand- en vingergebruik. Daarnaast heeft het Uwv met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep het ontbreken van duurzaamheid ten aanzien van de psychische belastbaarheid van eiseres ontoereikend onderbouwd.
6. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.
Hand- en vingergebruik
7. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat niet duidelijk is op grond waarvan de primaire verzekeringsarts heeft aangenomen dat er geen beperkingen zijn voor het hand- en vingergebruik. Dit blijkt niet uit het rapport van de primaire verzekeringsarts. Dit terwijl werkneemster in haar aanvraag wel heeft aangegeven dat zij last heeft van haar handen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierover ook geen oordeel gegeven, terwijl in het bezwaarschrift wel is aangevoerd dat er reden is om beperkingen aan te nemen ten aanzien van onder meer het hand- en vingergebruik.
8. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 19 mei 2023 aangegeven dat werkneemster per november 2022 toegenomen klachten heeft aan haar handen en dat per die datum een FML is opgesteld waarin dit tot uitdrukking komt. Ook dit verklaart naar het oordeel van de rechtbank nog niet waarom er in de maand juni 2022, ten tijde van de beoordeling van werkneemster, helemaal geen beperkingen zijn aangenomen voor het hand- en vingergebruik.
9. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het aanvullende rapport in beroep van 17 januari 2024 aangegeven dat het bestaan van artrose niet betekent dat er ook klachten en beperkingen zijn. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dit onvoldoende te vinden als motivering waarom in dit specifieke geval, ondanks dat werkneemster heeft aangegeven dat zij wel beperkingen ondervindt, er voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding was om beperkingen ten aanzien van het hand- en vingergebruik aan te nemen per de datum in geding. Dat geldt eens temeer nu werkneemster niet lichamelijk is onderzocht door de primaire verzekeringsarts of de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Om die reden kleeft er naar het oordeel van de rechtbank een gebrek aan het bestreden besluit.
Duurzaamheid beperkingen psychische belastbaarheid
10. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 19 mei 2023 aangegeven dat ten aanzien van de psychische belastbaarheid van werkneemster nog verbetering mogelijk is door het volgen van intensieve psychotherapie. In het rapport van 17 januari 2024 geeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan dat werkneemster nog geen behandeling heeft gehad voor het trauma van een gewelddadige relatie. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zou werkneemster deze behandeling kunnen volgen met mogelijk daarna nog te indiceren vervolgbehandelingen.
11. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het ontbreken van duurzame arbeidsongeschiktheid onvoldoende concreet en op werkneemster toegespitst heeft onderbouwd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep baseert het ontbreken van duurzaamheid op de behandeling die werkneemster nog zou kunnen volgen voor het trauma van haar gewelddadige relatie. Echter heeft werkneemster op de zitting verklaard dat in overleg met haar psycholoog is besloten dat therapie voor het trauma van haar gewelddadige relatie niet meer nodig was nadat zij was behandeld voor de traumatische gebeurtenissen uit haar jeugd. Daar komt bij dat de enkele verwijzing naar het gegeven dat er nog een behandeling mogelijk is in dit verband onvoldoende is voor de conclusie dat de beperkingen als gevolg van de psychische klachten van werkneemster niet duurzaam zijn. Uit de stelling dat er nog een behandeling mogelijk is blijkt namelijk niet wat het daarvan te verwachten resultaat is voor de klachten en beperkingen van werkneemster, en wat de gevolgen daarvan zullen zijn voor de mate van arbeidsongeschiktheid van werkneemster. Ook daarom kleeft er naar het oordeel van de rechtbank een gebrek aan het bestreden besluit.
De herstelpoging van het Uwv
Hand- en vingergebruik
12. In de aanvullende reactie van 14 juni 2024 verwijst de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar een brief van de reumatoloog van 15 december 2022 van de Sint Maartenskliniek waarin is vermeld dat bij werkneemster sprake is van een geringe mate van artrose naast fibromyalgie. Bij het lichamelijk onderzoek door de reumatoloog is er een normale schouder/pols/handfunctie met een benige verdikking van het CMC 1. De reumatoloog concludeert tot chronisch gegeneraliseerde pijn passend bij fibromyalgie. Er is volgens de reumatoloog geen sprake van uitgebreide artrose aan de handen. Er is geen relatie tussen de mate van artrose en klachten of beperkingen. Er is bij werkneemster sprake van een chronisch pijnsyndroom fibromyalgie wat pijn in de handen kan geven evenals in rest van het bewegingsapparaat.
13. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is het evident dat werkneemster na het einde van de wachttijd een duidelijk toegenomen klachtenlast ervoer van de handen zoals dat naar voren is gekomen bij het spreekuur van de primaire verzekeringsarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijst er op dat er wel degelijk beperkingen zijn gesteld voor het gebruik van de handen: een beperking voor de duurbelasting voor het werken met een toetsenbord en muis, het zwaar tillen en dragen en voor het klimmen op een ladder. Deze beperkingen zijn volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep duurzaam.
Beoordeling
15. Naar het oordeel van de rechtbank volstaat de aanvullende motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 juni 2024 niet en zijn de in tussenuitspraak geconstateerde gebreken niet hersteld. De rechtbank legt dit hierna uit.
Hand- en vingergebruik
16. De verzekeringsarts bezwaar en beroep verwijst in het aanvullende rapport naar een onderzoek van de reumatoloog van 15 december 2022, maar daarmee is naar het oordeel van de rechtbank geen antwoord gegeven op de vraag waarom er op 29 juni 2022 (de datum in geding) geen beperkingen waren voor het hand- en vingergebruik van werkneemster. Uit dit onderzoek volgt namelijk nog niet dat er op de datum en geding geen beperkingen waren voor het hand- en vingergebruik. Immers staat vast dat in november 2022 (dus ná de datum in geding maar vóór het onderzoek van de reumatoloog) wél beperkingen op dat vlak aanwezig waren, die tot volledige arbeidsongeschiktheid bij werkneemster hebben geleid. Het hebben van meer beperkingen op 22 november 2022 betekent volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet automatisch dat deze beperkingen ook aanwezig waren op het moment van het einde van de wachttijd (juni 2022). Dat kan de rechtbank op zichzelf volgen. Echter, zoals de rechtbank ook in de tussenuitspraak heeft overwogen, verklaart dit nog niet waarom er in de maand juni 2022, ten tijde van de beoordeling van werkneemster, helemaal geen beperkingen zijn aangenomen voor het hand- en vingergebruik, terwijl werkneemster in haar aanvraag wel had aangegeven dat zij last had van haar handen. Naar het oordeel van de rechtbank is ook met de aanvullende reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dus nog steeds onvoldoende gemotiveerd waarom er geen beperkingen zijn aangenomen voor hand- en vingergebruik.
Duurzaamheid beperkingen psychische belastbaarheid
17. De verzekeringsarts bezwaar en beroep baseert het ontbreken van duurzaamheid ook in de aanvullende reactie van 14 juni 2024 op de behandeling die werkneemster nog zou kunnen volgen voor het trauma van haar gewelddadige relatie. De brief van de behandelend psycholoog waar de verzekeringsarts bezwaar en beroep in dit verband naar verwijst dateert echter van anderhalf jaar vóór de datum in geding. Zoals de rechtbank in de tussenuitspraak heeft overwogen heeft werkneemster op de zitting aangegeven dat ná die brief in overleg met haar psycholoog is besloten dat therapie voor het trauma van haar gewelddadige relatie niet meer nodig was nadat zij was behandeld voor de traumatische gebeurtenissen uit haar jeugd. Daaruit volgt dat die behandeling dus niet (langer) geïndiceerd was. Tegen die achtergrond is naar het oordeel van de rechtbank dan ook nog steeds ontoereikend gemotiveerd dat de psychische beperkingen van werkneemster niet duurzaam zijn, en is het gebrek in het bestreden besluit dus ook op dit punt niet hersteld.
Conclusie
18. Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat de rechtmatige uitkomst naar de huidige stand van zaken nog te veel open ligt. Het Uwv moet daarom een nieuw besluit nemen waarbij hij rekening houdt met deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
19. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het Uwv aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 365,- vergoeden.
20. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het Uwv moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus) met een waarde per punt van € 875,-, bij een wegingsfactor 1. De proceskostenvergoeding bedraagt daarom € 2.187,50.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het Uwv op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 365,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.187,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van
mr. G.M.C.P. Maarhuis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
9 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
ECLI:NL:RBMNE:2024:4504.