Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-05-22
ECLI:NL:RBMNE:2024:7686
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,117 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer / rekestnummer: 10849557 \ ME VERZ 23-143
Beschikking van
22
mei 2024
[verzoekster] B.V.,
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: [onderneming 1] B.V. vertegenwoordigd door [A] ,
tegen
[verweerder]
,
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift;
- de mondelinge behandeling van 3 april 2024 waar zijn verschenen:
- [A] , namens gemachtigde [onderneming 1] B.V.;
- [B] , ceo van [onderneming 2] en partner van [A] ;
- [verweerder] ;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 april 2024.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
[onderneming 2] (hierna [onderneming 2] ) is een rechtspersoon naar buitenlands recht.
2.2.
[B] en [A] zijn op 6 oktober 2023 na een etentje naar de [adres] in [plaats 2] gereden. [verweerder] woont aan de [adres] in [plaats 2] .
2.3.
Bij akte van cessie van 27 november 2023 is [verzoekster] in de rechten getreden van [onderneming 2] .
2.4.
Tussen partijen heeft in december 2023 e-mailcorrespondentie plaatsgevonden.
2.5.
In het e-mailbericht van 13 december 2023 van [verweerder] staat:
“Geachte heer [A] ,
Ik zal u in deze e-mail beantwoorden. Ik zal trachten het in voor mij chronologische volgorde weer te geven. Ik kan u dan mijn visie geven.
Op 5-12-2023 ontvang ik een aangetekende brief van [onderneming 1] B.V. Deze brief heeft als onderwerp “sommatie aansprakelijkheid / schade motorvoertuig”.
Uit deze brief blijkt dat er een eerdere brief is gestuurd met datum 16-11-2023.
Deze eerdere brief heeft mij niet bereikt. Hiermee stel ik niet dat u deze brief niet heeft gestuurd, enkel dat ik hem niet heb ontvangen en dus ook niet heb gelezen.
Dat het een belangrijk onderwerp is blijkt al uit het feit dat u de tweede brief aangetekend verstuurd heeft. Daarom wil ik graag reageren.
Het lijkt mij echter van belang de eerste brief ook te hebben gelezen.
Op 8-12-2023 stuur ik dan ook een e-mail met het verzoek of u de eerste brief opnieuw wil sturen maar dan via de e-mail,.
Op 11-12-2023 reageert u op mijn e-mail.
Ondanks mijn verzoek de eerste brief te sturen doet u dit niet. Ik kan geen reden bedenken waarom u de eerste brief niet wilt delen.
Wel vraagt u mij om aansprakelijkheid te erkennen.
Op dat moment heeft u enkel aangegeven in uw brief dat het gaat om schade aan een motorvoertuig. Ik weet uit uw email dat u [A] heet, ik weet echter niet wie u bent, noch weet ik wie uw cliënt is, noch weet ik welk motorvoertuig u bedoelt, noch weet ik welke schade u bedoelt, noch weet ik welke dag dit heeft plaats zou hebben moeten vinden.
Het enige wat ik weet is dat er een eerste brief is waarin dit misschien wel staat. Op 12-12-2023 mail ik u terug en vraag u nogmaals om de eerste brief en wie u en uw cliënt nu eigenlijk zijn.
Op 13-12-2023 stuurt u mij weer een e-mail. Ook in deze e-mail deelt u de eerste brief niet. Tevens geeft u niet aan waar het om draait.
Wel geeft u aan dat ik gehoord ben door de pandeigenaar.
Ik spreek regelmatig met de pandeigenaar over mensen die zich onrechtmatig toegang willen verschaffen tot het terrein.
Ik kan mij niet herinneren met de pandeigenaar een gesprek te hebben gevoerd over vorderingen van, volgens u, € 15.000 tot € 20.000 inzake schade aan voertuigen.
Ik zal deze mail vriendelijk maar met een dringend verzoek afsluiten:
- Graag ontvang ik van u de eerste brief;
- Graag ontvang ik van u contactgegevens van u dan wel uw bedrijven. De telefoonnummers die u online heeft staan zijn immers niet (meer;
- U stelt dat u gemachtigd bent, ik ontvang graag van wie u dan gemachtigde bent, wie is uw cliënt;
- U stelt dat ik schade heb gemaakt aan een voertuig, welk voertuig dan en welke dag?
U begrijpt dat ik tot op heden geen aansprakelijkheid erken. Als u mij deze basisinformatie niet kan of wil verstrekken dan ga ik ervan uit dat u afziet van enige juridische gang.
Als u mij deze informatie niet wil verstrekken maar blijft doorgaan met e-mails sturen die beledigingen/onwaarheden/chantage bevatten dan zal ik hiervan aangifte doen bij de politie.
Mvg
[verweerder] ”
2.6.
In het e-mailbericht van 14 december 2023 van [onderneming 1] B.V. staat”
“Geachte heer [verweerder] ,
Hartelijk dank voor uw reactie, zij het dat deze enkele opmerkelijke uitspraken bevat.
Om herhaling van zetten te voorkomen verwijs ik naar de vorige correspondentie. In de vorige e-mail is aan u duidelijk aangegeven dat u namens cliënt de gelegenheid krijgt om ergens over na te denken, uw berichtgeving duidt er in ieder geval op dat u geen aansprakelijkheid erkent en dat u doet alsof uw neus bloedt, terwijl u heel goed weet waar het over gaat.
Gezien uw proceshouding en uitlatingen die niet stroken met de waarheid, laat u cliënt geen andere keuze. Namens cliënt zal ondergetekende u oproepen als getuigen in het kader van het getuigenverhoor, zoals in de vorige email aangegeven.
Het staat u vrij om aangifte te doen, echter wil ik u verzoeken als u aangifte heeft gedaan, ondergetekende het PL nummer te doen toekomen, zodat tegen u aangifte kan worden gedaan van valse aangifte. Immers het is een ieder vrij om een rechtsentiteit aan te spreken, aansprakelijk te stellen dan wel in rechte te betrekken, dat zijn rechtshandelingen welke niets van doen heeft met de door u gepresenteerde strafrechtelijke handelingen.
Kortom u kunt binnenkort een brief verwachten van de bevoegde Rechtbank, daarin zal u in kennis worden gesteld over het verzoek en daaraan dient u gehoor te geven. Doet u dat niet, dan kan het zomaar zijn bij herhaling dat u door de krachtige arm der Wet (Politie) wordt opgehaald.
Houdt er rekening mee dat deze correspondentie alle rechten en verweermiddelen behoudt die onze cliënt wenst aan te wenden. Ondanks de huidige omstandigheden sluiten wij af met een vriendelijke groet.
Hoogachtend
[onderneming 1] B.V.
Namens de cliënt”
3Het verzoek
3.1.
[verzoekster] verzoekt, om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, dag en uur te bepalen waarop [verweerder] kan worden gehoord, kosten rechtens.
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoekster] ten grondslag gelegd dat [verweerder] op 6 oktober 2023 schade heeft veroorzaakt aan een auto die toebehoort aan [onderneming 2] . Terwijl [B] en [A] op die dag een bezienswaardigheid aan de [adres] te [plaats 2] hebben bezocht, kwam [verweerder] aangereden in een wit busje en stapte uit. Hij heeft schade veroorzaakt aan de auto van [onderneming 2] . [verzoekster] heeft geprobeerd de kwestie buiten rechte af te handelen, maar [verweerder] is hier niet op ingegaan. [verzoekster] moet in een eventueel te starten bodemprocedure bewijzen dat [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [onderneming 2] of diens personeel ( [B] ) en kennis ( [A] ).
Beoordeling
4.1.
Uitgangspunt bij een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor is dat de kantonrechter dit verzoek op grond van artikel 186 Rv toewijst als de te bewijzen feiten zijn betwist, deze feiten door getuigen kunnen worden bewezen en die feiten relevant zijn voor een uiteindelijke beslissing over het geschil tussen verzoeker en zijn tegenpartij. Een voorlopig getuigenverhoor is vooral bedoeld om de verzoeker de kans te geven om feiten duidelijk te krijgen, zodat hij beter kan beoordelen of het zin heeft om een procedure te beginnen tegen zijn tegenpartij.
4.2.
In het verzoekschrift moet staan wat voor soort vordering de verzoeker denkt te hebben en welke feiten en rechten de verzoeker wil bewijzen. Het moet voldoende duidelijk zijn voor de rechter en de tegenpartij over welk feitelijk gebeuren de getuigen moeten worden gehoord. Ook moet in het verzoekschrift staan waarom de getuigen hierover kunnen verklaren en wie die getuigen zijn.
4.3.
De kantonrechter is van oordeel dat het verzoek niet voldoet aan de hiervoor gestelde vereisten. Het feitelijk gebeuren is namelijk in verhulde bewoordingen opgesteld en is niet geconcretiseerd. [verweerder] is daardoor niet in staat om zich te verweren. Zoals uit het
e-mailbericht van [verweerder] van 14 december 2023 blijkt, tast [verweerder] in het duister om welk feitelijk gebeuren het gaat, wie [verzoekster] vertegenwoordigt, wat de vermeende schade is en wat de omvang hiervan is. [verweerder] heeft om nadere toelichting gevraagd van onder meer de verwijten die hem worden gemaakt, maar ondanks herhaaldelijk verzoek van [verweerder] heeft [verzoekster] nooit de eerste brief die zij stelt aan [verweerder] te hebben gestuurd aan hem willen mailen. Ook tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerder] verklaard dat hij nog steeds niet weet waar het over gaat en wie [A] is. [verzoekster] wil deze relevante vragen niet beantwoorden en verwijst naar eerdere correspondentie, zonder dit nader toe te lichten. Tijdens de mondelinge behandeling weigerde [verzoekster] vragen van de kantonrechter te beantwoorden en het feitelijk gebeuren te verduidelijken. Zo wilde [verzoekster] geen antwoord geven op de vraag wat zij met de verschillende wijzen van beschadiging van het voertuig bedoelt, waaruit blijkt dat het voertuig is beschadigd en wat voor bedreiging [verweerder] zou hebben geuit, terwijl dit allemaal wel feiten zijn die aan [verzoekster] bekend zijn; [A] was er immers bij. [verzoekster] heeft aangevoerd dat [verweerder] zonder voorkennis moet worden gehoord en dat het getuigenverhoor een verrassingseffect moet hebben. [verweerder] heeft echter recht en belang om te weten waarom en waarover hij wordt gehoord, zodat hij zich kan voorbereiden op het verhoor. Het feitelijk gebeuren blijft in nevelen gehuld en is zo weinig geconcretiseerd dat niet gezegd kan worden dat voldoende duidelijk is over welk feitelijk gebeuren getuigen moeten worden gehoord.
4.4.
[verzoekster] heeft nog aangevoerd dat een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor slechts summierlijk hoeft te zijn, maar dit houdt naar het oordeel van de kantonrechter niet in dat het niet duidelijk hoeft te zijn wat er volgens de verzoeker gebeurd is en waarover hij de getuigen wil horen, zeker niet wanneer deze feiten en omstandigheden wel aan de verzoeker, in dit geval [verzoekster] , bekend zijn, maar zij ze niet wil toelichten om een verrassingseffect bij de getuige en, in dit geval, de (waarschijnlijke) wederpartij wil bewerkstelligen.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.P. Lunter en in het openbaar uitgesproken op
22 mei 2024.
1524