Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-02-14
ECLI:NL:RBMNE:2024:7672
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,164 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/556704 / FO RK 23-590
Beschikking van 14 februari 2024
in de zaak van:
[de moeder]
,
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. A.M. Beuwer,
tegen
[de man]
,
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de man,
met als belanghebbende
mr. K.G.I.M. Schröder,
kantoorhoudende in Utrecht,
als bijzondere curator over het kind: [minderjarige 1].
Procesverloop
1.1.
De moeder heeft op 11 mei 2023 een verzoekschrift met bijlagen ingediend.
1.2.
In de beschikking van 4 juli 2023 heeft de rechtbank mr. K.G.I.M. Schröder benoemd als bijzondere curator over [minderjarige 1] . De bijzondere curator vertegenwoordigt [minderjarige 1] in deze procedure en komt op voor haar belang.
1.3.
Daarna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
het advies van de bijzondere curator 28 september 2023;
het F-formulier van de moeder van 25 oktober 2023.
1.4.
De rechtbank heeft aan de minderjarige [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gevraagd wat zij van de verzoeken vinden. Zij hebben de rechtbank op 14 januari 2024 een e-mail gestuurd.
1.5.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 17 januari 2024. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de man;
de bijzondere curator;
mevrouw [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Feiten
2.1.
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Het huwelijk is ontbonden op [echtscheidingsdatum] 2021.
2.2.
De moeder had voor het huwelijk al twee kinderen uit eerdere relaties:
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum 2] 2009 in [geboorteplaats] .
2.3.
De man heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend. De man en de moeder hebben gezamenlijk het gezag over hen.
2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank van 29 maart 2018 is:
de erkenning van [minderjarige 2] door de man nietig verklaard;
het vaderschap van de heer [biologische vader 1] over [minderjarige 2] gerechtelijk vastgesteld;
de man (weer) samen met de moeder belast met het gezag over [minderjarige 2] ;
Dictum
2.5.
De biologische vader van [minderjarige 2] is de heer [biologische vader 1] . Volgens partijen is de biologische vader van [minderjarige 1] de heer [biologische vader 2] .
3De verzoeken
3.1.
De moeder verzoekt:
I. primair een bijzondere curator te benoemen die [minderjarige 1] kan bijstaan in een verzoek tot vernietiging van de erkenning door de man;
subsidiair het ouderlijk gezag van de man over [minderjarige 1] te beëindigen;
II. het ouderlijk gezag van de man over [minderjarige 2] te beëindigen.
3.2.
De bijzondere curator is het niet eens met een eventuele vernietiging van de erkenning van [minderjarige 1] door de man. De bijzondere curator acht het niet in het belang van [minderjarige 1] dat de erkenning van haar door de man wordt vernietigd. Zij neemt daarom het verzoek tot vernietiging van de erkenning namens [minderjarige 1] niet over. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek tot vernietiging van de erkenning niet kan beoordelen. Hierna zal de rechtbank dan ook alleen een beslissing nemen over het gezag.
3.3.
De man is het niet eens met het verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag te beëindigen. Hij heeft tijdens de zitting mondeling verweer gevoerd.
Beoordeling
Beëindiging gezamenlijk gezag
4.1.
De rechtbank zal het verzoek van de moeder toewijzen en haar voortaan alleen belasten met het gezag over de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hierna legt de rechtbank uit waarom.
4.2.
In de wet staat dat de rechtbank het gezag van een ouder kan beëindigen als zij dit in het belang van het kind noodzakelijk vindt of als zij vindt dat er een risico is dat het kind de dupe wordt van de strijd tussen de ouders en de rechtbank niet verwacht dat dat binnenkort beter wordt.
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de wet is dat ouders nadat zij uit elkaar zijn gegaan samen het gezag blijven uitoefenen. Alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan het gezamenlijk gezag beëindigd worden. De rechtbank ziet in dit geval voldoende reden om van dit uitgangspunt af te wijken. Gebleken is dat er al jarenlang geen direct contact is geweest tussen de moeder en de man. Ook de kinderen hebben sinds de scheiding geen contact meer met de man gehad. Dit is inmiddels tweeënhalf jaar geleden. De kinderen hebben de rechtbank bericht dat zij in de toekomst ook geen contact meer met de man willen. Ook willen zij niet dat hij informatie over hen ontvangt.
4.4.
De man heeft verklaard dat hij alleen akkoord gaat met een beëindiging van het gezag als ook de erkenning van [minderjarige 1] door hem wordt vernietigd en de kinderen niet langer zijn geslachtsnaam zullen dragen. De rechtbank begrijpt de frustratie van de man gelet op de verhouding tussen partijen, maar deze verzoeken over de erkenning en de geslachtsnaam liggen nu niet voor. De rechtbank kan hier dan ook geen beslissing over nemen.
4.5.
Net als de Raad vindt de rechtbank het niet in het belang van de kinderen dat de man nog beslissingen moet nemen over de kinderen, terwijl hij niet weet hoe het met hen gaat.
Doordat er geen communicatie mogelijk is tussen de ouders kunnen zij niet samen overleggen over de kinderen. Gelet op de moeizame verhouding tussen partijen verwacht de rechtbank ook niet dat de situatie op korte termijn zal veranderen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat wijziging van het gezag noodzakelijk is in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Dictum
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum 2] 2009 in [geboorteplaats] ;
5.2.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. A.G. van Doorn, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2024.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Artikel 1:253n jo. 1:251a lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW)
Artikel 1:253n jo. 1:251a lid 1 sub a BW