Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-09-16
ECLI:NL:RBMNE:2024:7648
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,630 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/186391-23 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 16 september 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [woonplaats] ,
(hierna: verdachte).
1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22 april 2024 en 2 september 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. L.H. van der Veldt en van hetgeen de (gemachtigd) raadsman van verdachte, mr. J. Leyten, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, namens verdachte naar voren heeft gebracht.
2TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
Feit 1
op 28 september 2022 in Utrecht een pistool heeft overgedragen of voorhanden heeft gehad;
Feit 2
op 28 september 2022 in Utrecht munitie (5 scherpe patronen) heeft overgedragen of voorhanden heeft gehad.
3VOORVRAGEN
Voordat de rechtbank een oordeel kan geven over de vraag of verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd, moet worden beoordeeld of aan de in de wet gestelde voorvragen is voldaan. Dat is het geval: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen, de officier van justitie mag verdachte vervolgen en er zijn geen redenen om de vervolging uit te stellen.
4VRIJSPRAAK
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het onder feit 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Verder heeft zij vrijspraak gevorderd van het onder feit 2 ten laste gelegde.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft integraal vrijspraak bepleit van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde.
4.3
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank zal verdachte dan ook van beide feiten vrijspreken en licht dit als volgt toe.
Aanleiding
Uit het dossier volgt dat de heer [A] met verdachte op 28 september 2022 aan het begin van de avond in een auto naar café [horecagelegenheid] in Utrecht is gereden. Medewerkers van het café hebben de politie ingeseind. [A] is enkele uren later met een vuurwapen in een woning aangetroffen en vervolgens aangehouden. De politie heeft daarna de telefoon van [A] onderzocht. Hierop werd een Whatsappgesprek van 28 september 2022 aangetroffen tussen [A] en een telefoonnummer dat door de politie aan verdachte wordt toegeschreven. De rechtbank stelt vast dat dit inderdaad het telefoonnummer van verdachte is, wat door de verdediging ook niet is betwist.
Whatsappgesprek
In het Whatsappgesprek tussen [A] en verdachte van 28 september 2022 wordt gesproken over een wapen. Uit de berichten blijkt duidelijk dat [A] om 15:29 uur een bestelling bij verdachte doet voor een wapen, waarbij hij ook een foto van het gewenste wapen meestuurt. Het wapen op die foto is eenzelfde vuurwapen als het wapen dat bij [A] werd aangetroffen bij zijn aanhouding. De rechtbank kan echter op basis van dit gesprek niet vaststellen dat verdachte het wapen waarover wordt gesproken ook daadwerkelijk in zijn bezit heeft gehad of heeft geleverd aan [A] .
De berichten bevatten daarentegen juist aanwijzingen dat [A] uiteindelijk zelf een wapen heeft geregeld en – kennelijk – van iemand anders heeft gekocht. Nadat [A] via Whatsapp een wapen heeft besteld bij verdachte, stuurt hij namelijk om 18:17 uur in datzelfde gesprek dat hij even heen en weer gaat naar damsco (de rechtbank begrijpt: Amsterdam) om ook iets te bekijken. Vervolgens stuurt hij om 19:15 uur een bericht aan verdachte, waarin hij aangeeft dat hij ‘een origineel’ heeft geregeld. Verdachte vraagt vervolgens tot drie keer toe of hij moet afzeggen of afbellen. [A] beantwoordt deze vragen met: ‘ja heb een’. De rechtbank maakt hieruit op dat [A] op dat moment al in het bezit van een wapen is en dat hij de bestelling bij verdachte afzegt, zonder dat het tot een levering door verdachte is gekomen. Uit de inhoud van de berichten blijkt (ook) niet dat verdachte het bestelde wapen op enig moment wel in zijn bezit heeft gehad.
Conclusie
Nu het dossier geen andere aanknopingspunten biedt op basis waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte een wapen en munitie in bezit heeft gehad of heeft overgedragen aan [A] , zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde.
Dictum
De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Westerink, voorzitter, mrs. C.A.M. van Straalen en J.P. Verboom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Bazaz, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 september 2024.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1
hij in of op 28 september 2022 te Utrecht, althans in Nederland een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Sig Sauer, type P320, kaliber 9 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool heeft overgedragen en/of voorhanden heeft gehad;
( art 31 lid 1 Wet wapens en munitie )
2
hij op of omstreeks 28 september 2022 te Utrecht, althans in Nederland munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 5, (scherpe) patronen van het kaliber .32 heeft overgedragen en/of voorhanden heeft gehad;
( art 31 lid 1 Wet wapens en munitie )