Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-11-20
ECLI:NL:RBMNE:2024:7641
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Mondelinge uitspraak
3,414 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Almere
zaaknummer: 11363271 MC EXPL 24-6838 BRM/1604
Vonnis van 20 november 2024
inzake
de maatschap
[eisende partij]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen [eisende partij] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. E. Spijer,
tegen:
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
verder ook te noemen [gedaagde] ,
gedaagde partij,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
[eisende partij] heeft een dagvaarding uitgebracht. [gedaagde] heeft bij antwoord de vordering niet althans niet gemotiveerd betwist.
1.2.
De kantonrechter heeft bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.
Overwegingen
2.1.
[eisende partij] stelt dat zij in opdracht van [gedaagde] juridische bijstand heeft verleend. [eisende partij] heeft daarvoor facturen naar [gedaagde] gestuurd. [eisende partij] stelt dat [gedaagde] deze facturen tot op heden niet volledig heeft betaald en dat er nog € 14.546,13 open staat. [eisende partij] wil (samengevat) dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van voormeld bedrag vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijk incassokosten en dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.
2.2.
[gedaagde] heeft bij antwoord de vordering niet althans niet gemotiveerd betwist.
Hoogte hoofdsom
2.3.
[eisende partij] heeft een specificatie overgelegd van de door haar gevorderde hoofdsom. Wanneer de kantonrechter de betreffende bedragen optelt, komt zij tot een totaalbedrag van
€ 14.169,05 (en niet tot € 14.546,13). De kantonrechter zal [eisende partij] in de gelegenheid stellen zich bij akte over de hoogte van de hoofdsom uit te laten.
Ambtshalve toetsing van informatieverplichtingen
2.4.
De overeenkomst die partijen hebben gesloten, kwalificeert als een overeenkomst van opdracht tussen een handelaar en een consument. Dat betekent dat de kantonrechter ambtshalve moet toetsen of aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van Boek 6, titel 5, afdeling 2B BW is voldaan en, als sprake is van een voldoende ernstige schending van zo’n verplichting, een sanctie moet toepassen (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 12 november 2021, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2021:1677).
2.5.
Op de overeenkomst zijn de informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.
2.6.
De kantonrechter heeft kennis genomen van de opdrachtbevestiging die [eisende partij] op 17 mei 2022 per e-mail naar [gedaagde] heeft gestuurd. In die opdrachtbevestiging is wel het uurtarief vermeld dat aan [gedaagde] in rekening zal worden gebracht, maar er is geen enkele indicatie gegeven van de totale kosten, die [gedaagde] verschuldigd zal zijn, zoals bedoeld in artikel 6:230l onder c BW. Die totale prijs is tevens van belang in het kader van hetgeen hierna wordt overwogen ten aanzien van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 12 januari 2023. Het ligt op de weg van [eisende partij] om ten aanzien van de hiervoor genoemde punten duidelijkheid te scheppen. De kantonrechter zal [eisende partij] in de gelegenheid stellen zich hierover bij akte uit te laten.
Ambtshalve toetsing van oneerlijke bedingen
2.7.
De kantonrechter moet ook ambtshalve toetsen of een beding in een consumentenovereenkomst onder de richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29), zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 (PB 2011, L 304, blz. 64) (‘de Richtlijn’) valt en, zo ja, of dat beding oneerlijk is. Hoewel de Richtlijn niet rechtstreeks van toepassing is, brengt een richtlijnconforme uitleg mee dat de kantonrechter een oneerlijk beding op grond van artikel 6:233 BW moet vernietigen (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 13 september 2013, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2013:691).
2.8.
De kantonrechter begrijpt dat [eisende partij] zich beroept op artikel 3 van haar algemene voorwaarden. Dit artikel luidt: “Alle opdrachten zullen worden uitgevoerd op uurbasis tegen de gebruikelijke uurtarieven van [eisende partij] , tenzij uitdrukkelijk anders overeengekomen. Te allen tijde kan een voorschot gevraagd worden voor verrichte of te verrichten werkzaamheden. Werkzaamheden kunnen opgeschort worden als geen voorschot ter dekking daarvan voorhanden is. Separaat worden in rekening gebracht
de voor de opdrachtgever betaalde kosten. Ter dekking van algemene kantoorkosten (zoals verzending per reguliere post, kosten van telefoon, fax en elektronische communicatie, kopieerkosten en documentvervaardiging etc.) wordt 6% van het honorarium in rekening
gebracht. Alle te noemen bedragen zijn exclusief BTW. De werkzaamheden worden in principe maandelijks aan de opdrachtgever in rekening gebracht De betalingstermijn voor facturen is 14 dagen na dagtekening van de factuur. Bij gebreke van tijdige betaling is [eisende partij] zonder nadere ingebrekestelling gerechtigd de
wettelijke rente in rekening te brengen.”
In dit geval staat in de opdrachtbevestiging die [eisende partij] op 17 mei 2022 naar [gedaagde] heeft gestuurd “Zekerheidshalve bericht ik je dat ons kantoor kan op dit moment geen zaken aannemen op basis van gesubsidieerde rechtsbijstand. Even uit mijn hoofd kom jij gelet op jouw inkomen hier ook niet voor in aanmerking. Ons uurtarief bedraagt € 230,- excl. 6% kantoorkosten en 21% btw. Ook werkt ons kantoor met een voorschot (depot) van
€ 2.000,-. Dit bedrag wordt teruggeboekt zodra het dossier is afgerond. (…)”
2.9.
Artikel 3 is een gestandaardiseerd beding, waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, dat bedoeld is om in meerdere overeenkomsten te worden opgenomen. Verder is het een kernbeding in de zin van de Richtlijn. Kernbedingen hoeft de rechter alleen te toetsen op mogelijke oneerlijkheid als deze niet transparant zijn. In dit kader is de prejudiciële uitspraak van het HvJ EU van 12 januari 2023, gepubliceerd onder ECLI:EU:C:2023:14, van belang. In deze uitspraak heeft het HvJ EU zich uitgelaten over de vraag of een beding in een tussen een advocaat en een consument gesloten overeenkomst voor het verrichten van juridische diensten waarin, samengevat, de kosten uitsluitend worden vastgelegd op basis van het gehanteerde uurtarief, zonder verdere precisering, voldoet aan het vereiste dat bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd in de zin van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn. Het HvJ EU heeft geoordeeld dat het enkel noemen van een uurtarief de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor de diensten zal moeten betalen (overweging 40). Volgens het HvJ EU moet de advocaat de consument, vóórdat de overeenkomst wordt gesloten, informatie verstrekken die de consument in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen (overweging 43). Die informatie moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stellen bij benadering de totale kosten van die diensten te ramen. Het HvJ EU noemt daarbij als mogelijkheid een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen.
Of dat de advocaat met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen bezorgd waarin het aantal al gepresteerde werkuren wordt vermeld. Daarbij is het aan de nationale rechter om te beoordelen of de informatie die aan de consument is verstrekt, de consument in staat heeft gesteld om met de nodige voorzichtigheid en met volledige kennis van de financiële consequenties van het sluiten van die overeenkomst, zijn beslissing te nemen (overweging 44). Wat betreft de vraag of sprake is van een oneerlijk beding in de zin van de Richtlijn heeft het HvJ EU overwogen dat het onderzoek van het oneerlijke karakter van een beding in principe moet berusten op een algehele beoordeling, waarbij niet enkel een eventueel gebrek aan transparantie van dat beding in aanmerking moet worden genomen (overweging 49).
Dictum
De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van 18 december 2024 te 11.00 uur voor het nemen van een akte door [eisende partij] over dat wat in rechtsoverweging 2.3 tot en met 2.11 is overwogen, waarna [gedaagde] op de rol van 15 januari 2025 te 11.00 uur een antwoord akte kan nemen;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2024.
Overwegingen
Het HvJ EU heeft vervolgens geoordeeld dat het enkele feit dat het kostenbeding tussen een advocaat en een consument niet aan het transparantievereiste van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn voldoet, niet betekent dat het beding als oneerlijk moet worden beschouwd, tenzij de lidstaat van het toepasselijke recht overeenkomstig artikel 8 van de Richtlijn (waarin staat dat lidstaten strengere bepalingen dan die onder de Richtlijn vallen kunnen aannemen en handhaven, voor zover deze verenigbaar zijn met het Unierecht) er uitdrukkelijk in heeft voorzien dat een beding alleen al daarom als oneerlijk wordt aangemerkt (overweging 52).
2.10.
Het voorgaande leidt ertoe dat de kantonrechter moet onderzoeken of het beding al dan niet voldoet aan het in artikel 4 lid 2 van de Richtlijn neergelegde transparantievereiste. Indien daaraan niet is voldaan, rijst de vraag of, in het licht van alle omstandigheden van het geval, het beding al dan niet als oneerlijk moet worden beschouwd (zie ook de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 27 juni 2023, gepubliceerd onder ECLI:NL:GHAMS:2023:1465). Omdat [eisende partij] zich hierover evenmin heeft uitgelaten, zal de kantonrechter haar in de gelegenheid stellen om zich ook over dit punt bij akte uit te laten. De kantonrechter verzoekt [eisende partij] ook in te gaan op de gevolgen van een eventuele vernietiging van het kostenbeding.
2.11.
De kantonrechter stelt vast dat er ook een beding over de buitengerechtelijke incassokosten in de algemene voorwaarden staat vermeld. Dit beding, opgenomen in artikel 4, luidt: “Alle (buiten)gerechtelijke kosten die verband houden met de invordering van declaraties — met een minimum van 15% over het te incasseren bedrag - komen voor rekening van de opdrachtgever. De gerechtelijke kosten zijn niet beperkt tot de te liquideren proceskosten doch zullen integraal voor rekening van de opdrachtgever zijn, indien deze (in overwegende mate) in het ongelijk wordt gesteld.”
2.12.
Het beding wordt voorshands als vermoedelijk oneerlijk gekwalificeerd, omdat de tekst van het beding niet uitsluit dat de incassokosten al zijn verschuldigd zodra de consument in verzuim is, terwijl de wettekst voorschrijft dat de incassokosten pas ná het verstrijken van de in de veertiendagenbrief genoemde termijn verschuldigd worden. Ook is de bedongen vergoeding altijd ten minste 15% van de hoofdsom en daarmee hoger dan de vergoeding conform het Besluit. Contractuele afwijking van dwingendrechtelijke bepalingen is, op grond van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2023 (ECLI:NL:HR:2023:198, rechtsoverweging 3.8.4.) oneerlijk.
2.13.
De kantonrechter is op grond van het voorgaande voornemens het beding met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten ambtshalve te vernietigen. Vernietiging van het beding heeft tot gevolg dat [eisende partij] zich niet op het beding kan beroepen, maar ook dat zij geen aanspraak kan maken op het aanvullende recht dat zonder het beding van toepassing zou zijn. Ook als uitsluitend een beroep wordt gedaan op de wet. Dat volgt uit het Dexia-arrest van het HvJ EU van 27 januari 2021 (C-229/19) en het Gupfinger-arrest van 8 december 2022 van het HvJ EU (C-625/21). [eisende partij] kan hierdoor dus geen aanspraak maken op incassokosten op grond van de wet. [eisende partij] wordt in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de oneerlijkheid van het hiervoor geciteerde beding. Ook kan zij zich uitlaten over het voornemen tot ambtshalve vernietiging ervan.
2.14.
De zaak wordt verwezen naar de rol voor een akte aan de zijde van [eisende partij] .
Gevolgen niet voldoen aan het bevel
2.15.
Als niet aan de opdrachten van dit vonnis wordt voldaan, zal de kantonrechter daaraan de gevolgen verbinden die zij juist en passend vindt in deze zaak.
2.16.
Iedere verdere beslissing over de procedure wordt aangehouden.