Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-11-29
ECLI:NL:RBMNE:2024:7596
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,256 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6487
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 november 2024 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo).
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. Bij brief van
1 oktober 2024, ontvangen door verweerder op 2 oktober 2024, is verweerder in gebreke gesteld. Eiser heeft meer dan twee weken daarna, te weten bij brief van 18 oktober 2024, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek.
3. Het beroep is kennelijk gegrond.
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.
5. Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven te streven om binnen twee maanden een besluit te nemen. De overschrijding en verlenging van de beslistermijn is volgens verweerder gelegen in onderbezetting van personeel waardoor achterstand is ontstaan in afhandeling van zaken. Het gaat volgens verweerder om een omvangrijk verzoek, waarbij een deel van de documenten zich bevindt bij een derde partij. Hiermee heeft verweerder volgens de rechtbank voldoende uitgelegd waarom zij een langere termijn nodig heeft om op het Woo-verzoek te beslissen. De door verweerder gevraagde termijn van twee maanden acht de rechtbank niet onredelijk lang. Dat verweerder in meer zaken zich niet aan de termijnen houdt, is voor de rechtbank geen reden om in dit geval voor het nemen van een besluit een kortere (niet realistische) termijn te geven. De rechtbank stelt de beslistermijn vast op twee maanden na indienen van het verweerschrift. Dat betekent dat verweerder uiterlijk op 4 januari 2024 een besluit moeten nemen.
6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
7. Er zijn door eiser geen proceskosten gemaakt die vergoed moeten worden.
8. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser betalen.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op om uiterlijk op 4 januari 2024 alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- dat eiser heeft betaald moet betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van
N.J.R. Kalaykhan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
29 november 2024.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
Artikel 8:55d, derde lid, Awb.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6487
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 november 2024 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo).
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. Bij brief van
1 oktober 2024, ontvangen door verweerder op 2 oktober 2024, is verweerder in gebreke gesteld. Eiser heeft meer dan twee weken daarna, te weten bij brief van 18 oktober 2024, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek.
3. Het beroep is kennelijk gegrond.
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.
5. Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven te streven om binnen twee maanden een besluit te nemen. De overschrijding en verlenging van de beslistermijn is volgens verweerder gelegen in onderbezetting van personeel waardoor achterstand is ontstaan in afhandeling van zaken. Het gaat volgens verweerder om een omvangrijk verzoek, waarbij een deel van de documenten zich bevindt bij een derde partij. Hiermee heeft verweerder volgens de rechtbank voldoende uitgelegd waarom zij een langere termijn nodig heeft om op het Woo-verzoek te beslissen. De door verweerder gevraagde termijn van twee maanden acht de rechtbank niet onredelijk lang. Dat verweerder in meer zaken zich niet aan de termijnen houdt, is voor de rechtbank geen reden om in dit geval voor het nemen van een besluit een kortere (niet realistische) termijn te geven. De rechtbank stelt de beslistermijn vast op twee maanden na indienen van het verweerschrift. Dat betekent dat verweerder uiterlijk op 4 januari 2024 een besluit moeten nemen.
6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
7. Er zijn door eiser geen proceskosten gemaakt die vergoed moeten worden.
8. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser betalen.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op om uiterlijk op 4 januari 2024 alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- dat eiser heeft betaald moet betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van
N.J.R. Kalaykhan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
29 november 2024.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
Artikel 8:55d, derde lid, Awb.