Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-07-01
ECLI:NL:RBMNE:2024:7573
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,184 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/4547
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2024 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser,
[eiseres] , te [plaats] , eiseres,
Tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. D. Gürses),
en
Het dagelijks bestuur van de RDWI, Regionale Sociale Dienst, verweerder
(gemachtigde: V.V. Tuchkova).
Procesverloop
Bij besluit van 25 november 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers om bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.
Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 18 augustus 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2024. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde vergezeld door [A] .
Overwegingen
Feiten
1.1.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eisers hebben vanaf 4 maart 2009 bijstand op grond van de Pw ontvangen naar de norm voor gehuwden.
1.2.
Verweerder heeft op 25 maart 2020 een anonieme tip ontvangen over vermeende werkzaamheden door eiser en onroerend goed op naam van eisers. Naar aanleiding van deze tip heeft verweerder onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de bijstandsuitkering van eisers. In dat kader heeft verweerder het Internationaal Bureau Fraude (IBF) gevraagd om onderzoek te doen naar het vermogen van eiser in Turkije. Hieruit is gebleken dat eiser bekend is bij de Turkse Belastingdienst en de gemeente [gemeente] , wat wijst op onroerend goed op naam van eiser. De door het IBF gevraagde machtiging voor nader diepgaand onderzoek naar de inhoud van de registratie van onroerend goed hebben eisers geweigerd te geven.
1.3.
Verweerder heeft vervolgens het recht op bijstand per 8 december 2020 ingetrokken. Volgens verweerder hebben eisers de inlichtingenplicht geschonden door geen melding te maken van de werkzaamheden en het onroerend goed van eiser in Turkije. Ook zouden eisers de medewerkingsplicht hebben geschonden door geen machtiging voor nader onderzoek in Turkije te verstrekken en geen toestemming voor onderzoek in de kofferbak van eisers auto te geven. Op 28 juni 2022 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Hiertegen hebben eisers beroep ingesteld.
1.4.
Op 22 april 2021 hebben eisers opnieuw bijstand aangevraagd. Verweerder heeft deze aanvraag op 4 juni 2021 afgewezen. Door geen machtiging te geven voor onderzoek door IBF in Turkije hebben zij volgens verweerder niet aan hun medewerkingsplicht voldaan en kan verweerder het recht op bijstand niet vaststellen. Het bezwaar van eisers heeft verweerder op 27 juni 2022 ongegrond verklaard. Hiertegen hebben eisers ook beroep ingesteld.
1.5.
De rechtbank Midden-Nederland heeft de beroepen van eisers tegen de intrekking per 8 december 2020 en de afwijzing van de aanvraag van 22 april 2021 in de uitspraak van 18 december 2023 ongegrond verklaard.
1.6.
Eisers hebben zich op 4 oktober 2021 opnieuw gemeld om bijstand aan te vragen. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder de onder ‘Procesverloop’ genoemde besluiten genomen.
Standpunten van partijen
2. In het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het vermogen van eisers niet vastgesteld kan worden. Een machtiging voor nader diepgaand onderzoek naar de waarde van het onroerend goed in Turkije ontbreekt. Er is dan sprake van schending van de medewerkingsplicht. Het door eisers overgelegde uittreksel uit het Turkse E-devlet systeem van 4 november 2021 is onvoldoende, omdat hieruit niet blijkt wat de grootte van eisers aandeel in het onroerend goed is en of eiser voor 4 november 2021 onroerend goed heeft verkocht. De door eisers in bezwaar overgelegde stukken werpen – kort gezegd – geen licht op de waarde van het vermogen in Turkije over de periode van vijf jaar voorafgaand aan de intrekking van de bijstand. Verweerder kan dan niet vaststellen of eisers in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerden.
3. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat verweerder zich niet heeft mogen baseren op het bewijs dat uit het onderzoek door het IBF naar voren is gekomen. Volgens eisers is dat bewijs onrechtmatig verkregen. Er was namelijk geen deugdelijke aanleiding voor het onderzoek. De anonieme tip was onvoldoende concreet. Handhavers hebben zonder toestemming kopieën van de paspoorten van eisers gemaakt ten behoeve van het onderzoek. Verweerder heeft in strijd met het discriminatieverbod zijn onderzoek gericht op uitkeringsgerechtigden met de Turkse nationaliteit.
4. Volgens verweerder zijn de anonieme tip en eigen onderzoek voldoende aanleiding geweest voor een onderzoek in Turkije. Volgens verweerder is geen sprake van ongerechtvaardigde discriminatie of onrechtmatig verkregen bewijs.
Geen sprake van ongerechtvaardigde discriminatie of onrechtmatig verkregen bewijs
5. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat verweerder met gebruikmaking van zijn bevoegdheid van artikel 53a van de Pw een nader onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand heeft mogen instellen. De anonieme tip van 25 maart 2020 is daarvoor voldoende aanleiding. Deze tip is naar het oordeel van de rechtbank relevant, concreet en voldoende onderbouwd. In de tip wordt concreet en onderbouwd beschreven welke werkzaamheden eisers zou verrichten en welke onroerende goederen hij in Turkije zou hebben en daarmee was de inhoud van de tip relevant voor het recht op bijstand. De tipgever heeft namelijk verklaard dat eiser al ruim 5 á 6 jaar overdag vanuit de kofferbak van zijn auto IP kastjes verkoopt en dat eiser sinds kort een stichting heeft gekocht in Turkije en 2 huizen en 1 winkel op zijn naam heeft in Turkije. De rechtbank ziet geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het onderzoek op grond van de nationaliteit van eisers is geïnitieerd. Eisers hebben daartoe geen nadere bewijsstukken ingebracht. Ook hun stelling over het kopiëren van hun paspoorten zonder toestemming is niet nader onderbouwd. De rechtbank ziet dan geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van ongerechtvaardigde discriminatie of onrechtmatig verkregen bewijs.
6. Eisers hebben ook aangevoerd dat zij voldoende informatie hebben ingebracht om het recht op bijstand vast te stellen. Zij hebben geen vermogen in Turkije. Dat blijkt uit de gegevens die eisers zelf al hebben verstrekt. Een machtiging voor nader diepgaand onderzoek in Turkije is dan niet nodig.
7. Volgens verweerder zijn de gevraagde gegevens over de financiële situatie van eisers noodzakelijk voor het vaststellen van het recht op bijstand. Verweerder kan de door eisers ingebrachte stukken over hun onroerend goed niet verifiëren zonder een machtiging. Dan kan verweerder het recht op bijstand niet vaststellen.
8. De rechtbank stelt vast dat de hier te beoordelen periode loopt van 4 oktober 2021 (datum aanvraag) tot en met 25 november 2021 (datum afwijzingsbesluit).
Verweerder mocht de aanvraag weigeren
9. Voorop staat dat iemand die bijstand aanvraagt aannemelijk moet maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. Daarna moet de bijstandverlenende instantie in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid controleren. Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is zijn of haar financiële situatie een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen.
10. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers niet aan deze bewijslast voldaan.
Vaststaat dat eiser in Turkije onroerend goed op zijn naam heeft gehad. Ook staat vast dat deze gegevens relevant kunnen zijn voor eisers recht op bijstand. Eisers moeten dus duidelijkheid geven aan verweerder over hun vermogen in Turkije. Met het uittreksel uit het Turkse E-devlet hebben zij dat onvoldoende gedaan. Uit het uittreksel uit het Turkse E-devlet systeem van 28 september 2021 volgt dat er op dat moment 32 onroerende zaken op naam van eiser staan in de gemeente [gemeente] en [gemeente] . Dit uittreksel is een momentopname en geeft dus geen uitsluitsel over het verleden en de periode in geding. Daarnaast zijn de aandelen van eiser niet benoemd in het uittreksel, zodat niet vastgesteld kan worden of eiser volledig of gedeeltelijk eigenaar is.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2024.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Artikel 17, eerste lid, van de Pw
Artikel 17, tweede lid, van de Pw
ECLI:NL:RBMNE:2023:7088
Zie de uitspraak van de CRvB van 12 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4301
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/4547
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2024 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser,
[eiseres] , te [plaats] , eiseres,
Tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. D. Gürses),
en
Het dagelijks bestuur van de RDWI, Regionale Sociale Dienst, verweerder
(gemachtigde: V.V. Tuchkova).
Procesverloop
Bij besluit van 25 november 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers om bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.
Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 18 augustus 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2024. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde vergezeld door [A] .
Overwegingen
Feiten
1.1.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eisers hebben vanaf 4 maart 2009 bijstand op grond van de Pw ontvangen naar de norm voor gehuwden.
1.2.
Verweerder heeft op 25 maart 2020 een anonieme tip ontvangen over vermeende werkzaamheden door eiser en onroerend goed op naam van eisers. Naar aanleiding van deze tip heeft verweerder onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de bijstandsuitkering van eisers. In dat kader heeft verweerder het Internationaal Bureau Fraude (IBF) gevraagd om onderzoek te doen naar het vermogen van eiser in Turkije. Hieruit is gebleken dat eiser bekend is bij de Turkse Belastingdienst en de gemeente [gemeente] , wat wijst op onroerend goed op naam van eiser. De door het IBF gevraagde machtiging voor nader diepgaand onderzoek naar de inhoud van de registratie van onroerend goed hebben eisers geweigerd te geven.
1.3.
Verweerder heeft vervolgens het recht op bijstand per 8 december 2020 ingetrokken. Volgens verweerder hebben eisers de inlichtingenplicht geschonden door geen melding te maken van de werkzaamheden en het onroerend goed van eiser in Turkije. Ook zouden eisers de medewerkingsplicht hebben geschonden door geen machtiging voor nader onderzoek in Turkije te verstrekken en geen toestemming voor onderzoek in de kofferbak van eisers auto te geven. Op 28 juni 2022 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Hiertegen hebben eisers beroep ingesteld.
1.4.
Op 22 april 2021 hebben eisers opnieuw bijstand aangevraagd. Verweerder heeft deze aanvraag op 4 juni 2021 afgewezen. Door geen machtiging te geven voor onderzoek door IBF in Turkije hebben zij volgens verweerder niet aan hun medewerkingsplicht voldaan en kan verweerder het recht op bijstand niet vaststellen. Het bezwaar van eisers heeft verweerder op 27 juni 2022 ongegrond verklaard. Hiertegen hebben eisers ook beroep ingesteld.
1.5.
De rechtbank Midden-Nederland heeft de beroepen van eisers tegen de intrekking per 8 december 2020 en de afwijzing van de aanvraag van 22 april 2021 in de uitspraak van 18 december 2023 ongegrond verklaard.
1.6.
Eisers hebben zich op 4 oktober 2021 opnieuw gemeld om bijstand aan te vragen. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder de onder ‘Procesverloop’ genoemde besluiten genomen.
Standpunten van partijen
2. In het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het vermogen van eisers niet vastgesteld kan worden. Een machtiging voor nader diepgaand onderzoek naar de waarde van het onroerend goed in Turkije ontbreekt. Er is dan sprake van schending van de medewerkingsplicht. Het door eisers overgelegde uittreksel uit het Turkse E-devlet systeem van 4 november 2021 is onvoldoende, omdat hieruit niet blijkt wat de grootte van eisers aandeel in het onroerend goed is en of eiser voor 4 november 2021 onroerend goed heeft verkocht. De door eisers in bezwaar overgelegde stukken werpen – kort gezegd – geen licht op de waarde van het vermogen in Turkije over de periode van vijf jaar voorafgaand aan de intrekking van de bijstand. Verweerder kan dan niet vaststellen of eisers in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerden.
3. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat verweerder zich niet heeft mogen baseren op het bewijs dat uit het onderzoek door het IBF naar voren is gekomen. Volgens eisers is dat bewijs onrechtmatig verkregen. Er was namelijk geen deugdelijke aanleiding voor het onderzoek. De anonieme tip was onvoldoende concreet. Handhavers hebben zonder toestemming kopieën van de paspoorten van eisers gemaakt ten behoeve van het onderzoek. Verweerder heeft in strijd met het discriminatieverbod zijn onderzoek gericht op uitkeringsgerechtigden met de Turkse nationaliteit.
4. Volgens verweerder zijn de anonieme tip en eigen onderzoek voldoende aanleiding geweest voor een onderzoek in Turkije. Volgens verweerder is geen sprake van ongerechtvaardigde discriminatie of onrechtmatig verkregen bewijs.
Geen sprake van ongerechtvaardigde discriminatie of onrechtmatig verkregen bewijs
5. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat verweerder met gebruikmaking van zijn bevoegdheid van artikel 53a van de Pw een nader onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand heeft mogen instellen. De anonieme tip van 25 maart 2020 is daarvoor voldoende aanleiding. Deze tip is naar het oordeel van de rechtbank relevant, concreet en voldoende onderbouwd. In de tip wordt concreet en onderbouwd beschreven welke werkzaamheden eisers zou verrichten en welke onroerende goederen hij in Turkije zou hebben en daarmee was de inhoud van de tip relevant voor het recht op bijstand. De tipgever heeft namelijk verklaard dat eiser al ruim 5 á 6 jaar overdag vanuit de kofferbak van zijn auto IP kastjes verkoopt en dat eiser sinds kort een stichting heeft gekocht in Turkije en 2 huizen en 1 winkel op zijn naam heeft in Turkije. De rechtbank ziet geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het onderzoek op grond van de nationaliteit van eisers is geïnitieerd. Eisers hebben daartoe geen nadere bewijsstukken ingebracht. Ook hun stelling over het kopiëren van hun paspoorten zonder toestemming is niet nader onderbouwd. De rechtbank ziet dan geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van ongerechtvaardigde discriminatie of onrechtmatig verkregen bewijs.
6. Eisers hebben ook aangevoerd dat zij voldoende informatie hebben ingebracht om het recht op bijstand vast te stellen. Zij hebben geen vermogen in Turkije. Dat blijkt uit de gegevens die eisers zelf al hebben verstrekt. Een machtiging voor nader diepgaand onderzoek in Turkije is dan niet nodig.
7. Volgens verweerder zijn de gevraagde gegevens over de financiële situatie van eisers noodzakelijk voor het vaststellen van het recht op bijstand. Verweerder kan de door eisers ingebrachte stukken over hun onroerend goed niet verifiëren zonder een machtiging. Dan kan verweerder het recht op bijstand niet vaststellen.
8. De rechtbank stelt vast dat de hier te beoordelen periode loopt van 4 oktober 2021 (datum aanvraag) tot en met 25 november 2021 (datum afwijzingsbesluit).
Verweerder mocht de aanvraag weigeren
9. Voorop staat dat iemand die bijstand aanvraagt aannemelijk moet maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. Daarna moet de bijstandverlenende instantie in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid controleren. Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is zijn of haar financiële situatie een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen.
10. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers niet aan deze bewijslast voldaan.
Vaststaat dat eiser in Turkije onroerend goed op zijn naam heeft gehad. Ook staat vast dat deze gegevens relevant kunnen zijn voor eisers recht op bijstand. Eisers moeten dus duidelijkheid geven aan verweerder over hun vermogen in Turkije. Met het uittreksel uit het Turkse E-devlet hebben zij dat onvoldoende gedaan. Uit het uittreksel uit het Turkse E-devlet systeem van 28 september 2021 volgt dat er op dat moment 32 onroerende zaken op naam van eiser staan in de gemeente [gemeente] en [gemeente] . Dit uittreksel is een momentopname en geeft dus geen uitsluitsel over het verleden en de periode in geding. Daarnaast zijn de aandelen van eiser niet benoemd in het uittreksel, zodat niet vastgesteld kan worden of eiser volledig of gedeeltelijk eigenaar is.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2024.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Artikel 17, eerste lid, van de Pw
Artikel 17, tweede lid, van de Pw
ECLI:NL:RBMNE:2023:7088
Zie de uitspraak van de CRvB van 12 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4301