Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-12-13
ECLI:NL:RBMNE:2024:7563
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,130 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/2886
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 december 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster,
(gemachtigde: mr. K.U.J. Hopman)
en
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv),
verweerder
(gemachtigde: J.H. Swart).
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Met het besluit van 11 november 2022 heeft het Uwv medegedeeld dat verzoekster met ingang van 14 november 2022 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat zij voor minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt beschouwd. Tegen dit besluit is door verzoekster bezwaar gemaakt. In de beslissing op bezwaar van 15 juni 2023 heeft het Uwv het besluit van 11 november 2022 herroepen, omdat verzoekster met ingang van 14 november 2022 voor 75,75% arbeidsongeschikt beschouwd moet worden. Daarom heeft zij vanaf 14 november 2022 recht op een WIA-uitkering. Tegen deze beslissing op bezwaar heeft verzoekster beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2024. De zaak is vervolgens door middel van de tussenuitspraak van 27 maart 2024 heropent omdat de rechtbank van oordeel was dat er nader onderzoek door een onafhankelijke deskundige nodig was.
4. Op 2 september 2024 heeft de deskundige een verzekeringsgeneeskundige rapportage overlegd. Hier is op 16 september 2024 door verzoekster op gereageerd.
5. Op 7 november 2024 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op het bezwaar van verzoekster genomen. Het Uwv heeft met deze beslissing aan verzoekster een IVA-uitkering toegekend met ingang van 22 november 2022. Hierop heeft verzoekster haar beroep ingetrokken met het verzoek het Uwv te veroordelen in de proceskosten die zij heeft gemaakt. Met de brief van 6 december 2024 heeft het Uwv laten weten akkoord te gaan met vergoeding van de door verzoekster gemaakte proceskosten.
Kosten voor rechtsbijstand
6. Verzoekster verzoekt om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Verzoekster heeft de proceskosten die zij in de bezwaarfase heeft gemaakt al vergoed gekregen. De beoordeling van de gevraagde proceskosten beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
7. De rechtbank veroordeeld het Uwv in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.187,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het aanwezig zijn bij de zitting en 0,5 punt voor de reactie op het deskundigenrapport, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
10. Het Uwv moet ook het griffierecht aan verzoekster betalen. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Om dit geval gaat het om een bedrag van € 50,-.
Dictum
De rechtbank veroordeelt het Uwv tot betaling van € 2.187,50 aan proceskosten. Het Uwv moet dit betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht.