Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-11-20
ECLI:NL:RBMNE:2024:7421
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,210 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11199946 \ UC EXPL 24-4565 RvdH/1037
Vonnis van 20 november 2024
in de zaak van
[eiser] , h.o.d.n. [handelsnaam],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [handelsnaam] ,
gemachtigde: DigiDeur,
tegen
1 [gedaagde sub 1] , 2. [gedaagde sub 2] ,
te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden c.s] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 20, - het proces-verbaal van de civiele rolzitting van 17 juli 2024 aan te merken als de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek tevens akte vermindering van eis,- de conclusie van dupliek.
1.2.
De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.
2Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[handelsnaam] heeft partnerschapsvoorwaarden en testamenten voor [gedaagden c.s] opgesteld. [handelsnaam] heeft [gedaagden c.s] vooraf op 22 mei 2023 een opdrachtbevestiging met kostenspecificatie toegestuurd. [gedaagden c.s] hebben die op 2 juni 2023 schriftelijk ondertekend en [handelsnaam] toestemming verleend voor de werkzaamheden. De kosten voor de werkzaamheden zijn € 1.655,21. [gedaagden c.s] hebben dat bedrag niet op tijd betaald.
2.2.
[handelsnaam] heeft [gedaagden c.s] daarom gedagvaard en betaling gevorderd van € 1.655,21, de wettelijke rente, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. [gedaagden c.s] hebben op 3 juli 2024 (de datum van de dagvaarding) € 600,00 betaald en op 16 juli 2024 € 1.055,21.
2.3.
[handelsnaam] heeft bij akte van repliek haar eis verminderd met € 1.655,21. Dat betekent dat de kantonrechter alleen nog moet beslissen of [gedaagden c.s] de wettelijke rente, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten van [handelsnaam] moet betalen.
Beoordeling
De wettelijke rente
3.1.
De wettelijke rente van totaal € 98,49 is nog niet betaald. Dat bedrag bestaat uit de wettelijke rente tot 11 maart 2024 (€ 70,74) en vanaf 11 maart 2024 tot en met 20 juni 2024 (€ 27,75). Omdat [gedaagden c.s] de factuur van [handelsnaam] niet op tijd hebben betaald, zijn zij de wettelijke rente verschuldigd. Dit deel van de vordering van [handelsnaam] wordt daarom toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
3.2.
[handelsnaam] maakt aanspraak op vergoeding van de gemaakte buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 248,28. Deze vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een professionele partij, handelend in de uitoefening van haar beroep of bedrijf en een consument. Op zo’n overeenkomst zijn consumentenbeschermende bepalingen van toepassing. Sommige consumentenbeschermende bepalingen worden zo belangrijk gevonden dat de kantonrechter ambtshalve (dat wil zeggen uit zichzelf, ook als de consument daar niet om vraagt) moet beoordelen of die zijn nageleefd. Als die bepalingen niet zijn nageleefd, moet de kantonrechter daar, eveneens ambtshalve, consequenties aan verbinden.
3.3.
In artikel 5.1. van de algemene voorwaarden van [handelsnaam] is een beding over de buitengerechtelijke incassokosten opgenomen. Volgens de tekst van het beding zijn de incassokosten al verschuldigd zodra de consument in verzuim is, terwijl de wettekst voorschrijft dat de incassokosten pas ná het verstrijken van de in de veertiendagenbrief genoemde termijn verschuldigd worden. De kantonrechter is van oordeel dat het beding daardoor ten nadele van consumenten aanzienlijk afwijkt van de wettelijke regeling over de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het beding is aldus oneerlijk ten opzichte van [gedaagden c.s] en wordt daarom vernietigd. Als gevolg daarvan wordt de gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
Proceskosten
3.4.
De kantonrechter zal [gedaagden c.s] veroordelen in de proceskosten. [handelsnaam] heeft [gedaagden c.s] voorafgaand aan de dagvaarding veelvuldig aangemaand tot betaling. Partijen hebben een betalingsregeling getroffen, die [gedaagden c.s] niet zijn nagekomen. Pas op de dag van de dagvaarding hebben [gedaagden c.s] een deelbetaling gedaan. Het restant van het factuurbedrag hebben [gedaagden c.s] pas na het aanbrengen van de dagvaarding betaald. [handelsnaam] heeft dus kosten moeten maken, voordat [gedaagden c.s] het totale factuurbedrag aan haar hebben betaald. [handelsnaam] heeft die kosten niet nodeloos gemaakt.
3.5.
De kantonrechter houdt bij de begroting van de proceskosten rekening met het volgende. De rechtbank heeft de dagvaarding op 8 juli 2024 van [handelsnaam] ontvangen (datum begeleidende brief is 4 juli 2024). Op 3 juli 2024 wist [handelsnaam] al dat de vordering met in ieder geval € 600,00 moest worden verminderd. De kantonrechter gaat in de proceskostenveroordeling daarom uit van het tarief griffierecht passend bij het geldelijk belang van de totale vordering minus € 600,00. [handelsnaam] heeft meer griffierecht betaald (€ 248,00) en dat is voor haar rekening; [gedaagden c.s] hoeven het meerdere niet te betalen. Voor de hoogte van het salaris van de gemachtigde is rekening gehouden met de toegewezen hoofdsom.
3.6.
De proceskosten van [handelsnaam] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
114,71
- griffierecht
€
218,00
- salaris gemachtigde
€
80,00
(2 punten × € 40,00)
- nakosten
€
20,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
432,71
3.7.
[gedaagden c.s] willen graag een betalingsregeling, maar die moeten partijen met elkaar afspreken. De kantonrechter kan geen betalingsregeling vaststellen.
Dictum
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagden c.s] hoofdelijk, in die zin, dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, om aan [handelsnaam] te betalen een bedrag van € 98,49,
4.2.
veroordeelt [gedaagden c.s] hoofdelijk, in die zin, dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, in de proceskosten van € 432,71, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden c.s] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2024.
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11199946 \ UC EXPL 24-4565 RvdH/1037
Vonnis van 20 november 2024
in de zaak van
[eiser] , h.o.d.n. [handelsnaam],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [handelsnaam] ,
gemachtigde: DigiDeur,
tegen
1 [gedaagde sub 1] , 2. [gedaagde sub 2] ,
te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden c.s] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 20, - het proces-verbaal van de civiele rolzitting van 17 juli 2024 aan te merken als de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek tevens akte vermindering van eis,- de conclusie van dupliek.
1.2.
De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.
2Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[handelsnaam] heeft partnerschapsvoorwaarden en testamenten voor [gedaagden c.s] opgesteld. [handelsnaam] heeft [gedaagden c.s] vooraf op 22 mei 2023 een opdrachtbevestiging met kostenspecificatie toegestuurd. [gedaagden c.s] hebben die op 2 juni 2023 schriftelijk ondertekend en [handelsnaam] toestemming verleend voor de werkzaamheden. De kosten voor de werkzaamheden zijn € 1.655,21. [gedaagden c.s] hebben dat bedrag niet op tijd betaald.
2.2.
[handelsnaam] heeft [gedaagden c.s] daarom gedagvaard en betaling gevorderd van € 1.655,21, de wettelijke rente, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. [gedaagden c.s] hebben op 3 juli 2024 (de datum van de dagvaarding) € 600,00 betaald en op 16 juli 2024 € 1.055,21.
2.3.
[handelsnaam] heeft bij akte van repliek haar eis verminderd met € 1.655,21. Dat betekent dat de kantonrechter alleen nog moet beslissen of [gedaagden c.s] de wettelijke rente, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten van [handelsnaam] moet betalen.
Beoordeling
De wettelijke rente
3.1.
De wettelijke rente van totaal € 98,49 is nog niet betaald. Dat bedrag bestaat uit de wettelijke rente tot 11 maart 2024 (€ 70,74) en vanaf 11 maart 2024 tot en met 20 juni 2024 (€ 27,75). Omdat [gedaagden c.s] de factuur van [handelsnaam] niet op tijd hebben betaald, zijn zij de wettelijke rente verschuldigd. Dit deel van de vordering van [handelsnaam] wordt daarom toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
3.2.
[handelsnaam] maakt aanspraak op vergoeding van de gemaakte buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 248,28. Deze vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een professionele partij, handelend in de uitoefening van haar beroep of bedrijf en een consument. Op zo’n overeenkomst zijn consumentenbeschermende bepalingen van toepassing. Sommige consumentenbeschermende bepalingen worden zo belangrijk gevonden dat de kantonrechter ambtshalve (dat wil zeggen uit zichzelf, ook als de consument daar niet om vraagt) moet beoordelen of die zijn nageleefd. Als die bepalingen niet zijn nageleefd, moet de kantonrechter daar, eveneens ambtshalve, consequenties aan verbinden.
3.3.
In artikel 5.1. van de algemene voorwaarden van [handelsnaam] is een beding over de buitengerechtelijke incassokosten opgenomen. Volgens de tekst van het beding zijn de incassokosten al verschuldigd zodra de consument in verzuim is, terwijl de wettekst voorschrijft dat de incassokosten pas ná het verstrijken van de in de veertiendagenbrief genoemde termijn verschuldigd worden. De kantonrechter is van oordeel dat het beding daardoor ten nadele van consumenten aanzienlijk afwijkt van de wettelijke regeling over de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het beding is aldus oneerlijk ten opzichte van [gedaagden c.s] en wordt daarom vernietigd. Als gevolg daarvan wordt de gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
Proceskosten
3.4.
De kantonrechter zal [gedaagden c.s] veroordelen in de proceskosten. [handelsnaam] heeft [gedaagden c.s] voorafgaand aan de dagvaarding veelvuldig aangemaand tot betaling. Partijen hebben een betalingsregeling getroffen, die [gedaagden c.s] niet zijn nagekomen. Pas op de dag van de dagvaarding hebben [gedaagden c.s] een deelbetaling gedaan. Het restant van het factuurbedrag hebben [gedaagden c.s] pas na het aanbrengen van de dagvaarding betaald. [handelsnaam] heeft dus kosten moeten maken, voordat [gedaagden c.s] het totale factuurbedrag aan haar hebben betaald. [handelsnaam] heeft die kosten niet nodeloos gemaakt.
3.5.
De kantonrechter houdt bij de begroting van de proceskosten rekening met het volgende. De rechtbank heeft de dagvaarding op 8 juli 2024 van [handelsnaam] ontvangen (datum begeleidende brief is 4 juli 2024). Op 3 juli 2024 wist [handelsnaam] al dat de vordering met in ieder geval € 600,00 moest worden verminderd. De kantonrechter gaat in de proceskostenveroordeling daarom uit van het tarief griffierecht passend bij het geldelijk belang van de totale vordering minus € 600,00. [handelsnaam] heeft meer griffierecht betaald (€ 248,00) en dat is voor haar rekening; [gedaagden c.s] hoeven het meerdere niet te betalen. Voor de hoogte van het salaris van de gemachtigde is rekening gehouden met de toegewezen hoofdsom.
3.6.
De proceskosten van [handelsnaam] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
114,71
- griffierecht
€
218,00
- salaris gemachtigde
€
80,00
(2 punten × € 40,00)
- nakosten
€
20,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
432,71
3.7.
[gedaagden c.s] willen graag een betalingsregeling, maar die moeten partijen met elkaar afspreken. De kantonrechter kan geen betalingsregeling vaststellen.
Dictum
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagden c.s] hoofdelijk, in die zin, dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, om aan [handelsnaam] te betalen een bedrag van € 98,49,
4.2.
veroordeelt [gedaagden c.s] hoofdelijk, in die zin, dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, in de proceskosten van € 432,71, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden c.s] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2024.