Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-12-30
ECLI:NL:RBMNE:2024:7416
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,090 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/434
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),
en
Dienst Toeslagen, verweerder(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 25 juli 2023 tegen de beschikking van 30 april 2021 met kenmerk CAP/UCF/21/093 UHT.
Bij beschikking van 30 april 2021 heeft verweerder bepaald dat hij nog geen reden ziet om €30.000 te betalen aan eiser.
Met het besluit van 14 februari 2024 heeft verweerder gereageerd op het bezwaar van eiser van 25 juli 2023. Onder verwijzing naar het besluit van 13 september 2022 met kenmerk UHT-DC I heeft verweerder aangegeven dat het bezwaar gegrond moet worden verklaard. Verweerder heeft een proceskostenvergoeding toegekend aan eiser.
Op 31 januari 2024 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft op 8 februari 2024 een reactie gegeven op het verweerschrift. Op 9 februari 2024 heeft eiser, na ontvangst van de beslissing op bezwaar van 14 februari 2024, aangegeven dat hij van mening is dat deze beroepsprocedure terecht is ingesteld en verzoekt hierbij om een proceskostenvergoeding.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
3. De rechtbank stelt vast dat verweerder inmiddels met het besluit van 14 februari 2024 alsnog heeft beslist op het bezwaar van eiser. Dit betekent dat het procesbelang van eiser bij het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is komen te vervallen.
4. De rechtbank zal daarom het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaren.
5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een totaalbedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2024.
(De griffier is verhinderd de uitspraak
mede te ondertekenen).
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/434
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),
en
Dienst Toeslagen, verweerder(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 25 juli 2023 tegen de beschikking van 30 april 2021 met kenmerk CAP/UCF/21/093 UHT.
Bij beschikking van 30 april 2021 heeft verweerder bepaald dat hij nog geen reden ziet om €30.000 te betalen aan eiser.
Met het besluit van 14 februari 2024 heeft verweerder gereageerd op het bezwaar van eiser van 25 juli 2023. Onder verwijzing naar het besluit van 13 september 2022 met kenmerk UHT-DC I heeft verweerder aangegeven dat het bezwaar gegrond moet worden verklaard. Verweerder heeft een proceskostenvergoeding toegekend aan eiser.
Op 31 januari 2024 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft op 8 februari 2024 een reactie gegeven op het verweerschrift. Op 9 februari 2024 heeft eiser, na ontvangst van de beslissing op bezwaar van 14 februari 2024, aangegeven dat hij van mening is dat deze beroepsprocedure terecht is ingesteld en verzoekt hierbij om een proceskostenvergoeding.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
3. De rechtbank stelt vast dat verweerder inmiddels met het besluit van 14 februari 2024 alsnog heeft beslist op het bezwaar van eiser. Dit betekent dat het procesbelang van eiser bij het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is komen te vervallen.
4. De rechtbank zal daarom het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaren.
5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een totaalbedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2024.
(De griffier is verhinderd de uitspraak
mede te ondertekenen).
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.