Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-09-18
ECLI:NL:RBMNE:2024:7332
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,800 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11084151 \ UC EXPL 24-2954 CMR/51145
Vonnis van 18 september 2024
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. J.J. van Kuijk,
tegen
[gedaagde] ,
handelend onder de naam [handelsnaam 1] en [handelsnaam 2],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, - de conclusie van antwoord, - de conclusie van repliek, - de conclusie van dupliek, - de akte uitlating producties van [eiseres] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Beoordeling
Kern van de zaak
2.1.
[gedaagde] heeft [eiseres] op 29 juni 2022 opdracht gegeven om boekhoudwerkzaamheden voor hem te verrichten. Volgens [eiseres] moet [gedaagde] nog € 780,00 betalen voor de werkzaamheden die zij heeft verricht voor de maanden januari 2022 tot en met juni 2022. [gedaagde] is het daar niet mee eens, omdat partijen in die periode nog geen overeenkomst hadden gesloten. De kantonrechter volgt [gedaagde] en wijst de vordering van [eiseres] af.
[gedaagde] hoeft niet te betalen aan [eiseres]
2.2.
[eiseres] en [gedaagde] hebben op 29 juni 2022 een overeenkomst van opdracht gesloten. Zij hebben afgesproken dat [eiseres] boekhoudwerkzaamheden voor [gedaagde] verricht. Daarvoor moet [gedaagde] € 130,00 inclusief btw per maand betalen. [eiseres] en [gedaagde] hebben beide een andere uitleg van laatstgenoemde afspraak.
Volgens [eiseres] gaat het om € 130,00 voor elke maand waarop de werkzaamheden betrekking hebben gehad. Volgens [eiseres] heeft zij immers werkzaamheden verricht voor het hele (boek)jaar 2022. Bijvoorbeeld: omdat de belastingaangifte voor het tweede kwartaal van 2022 betrekking heeft op de maanden april, mei en juni van dat jaar, moet [gedaagde] voor die maanden € 130,00 per maand betalen.
Volgens [gedaagde] gaat het om € 130,00 voor elke maand vanaf het moment dat de overeenkomst is gesloten. Voor de maanden daarvoor is [gedaagde] niks verschuldigd, omdat er toen nog geen opdracht was gegeven en [eiseres] geen werkzaamheden heeft verricht.
2.3.
Om vast te stellen wat partijen precies zijn overeengekomen, is een uitleg van de overeenkomst nodig. Het is vaste rechtspraak dat daarvoor niet alleen moet worden gekeken naar de tekst van de overeenkomst. Het is ook belangrijk wat partijen verder nog gezegd en gedaan hebben, en wat zij op grond daarvan van elkaar mochten verwachten. Niet alleen het gedrag rondom het sluiten van de overeenkomst is van belang. Ook wat partijen ná het sluiten van de overeenkomst gedaan hebben, kan een rol spelen bij het bepalen wat partijen zijn overeengekomen.
2.4.
De kantonrechter volgt de uitleg van [gedaagde] . Hij hoeft dus niet te betalen voor de maanden januari 2022 tot en met juni 2022. Bij dit oordeel is het volgende van belang. Vooropgesteld wordt dat in de overgelegde overeenkomst niks staat vermeld over de overeengekomen prijs. [eiseres] stelt wel tijdens het intakegesprek te hebben gezegd dat zij in totaal € 1.560,00 in rekening zou brengen voor het hele boekjaar 2022, maar dat heeft [gedaagde] betwist. Op grond van de gedragingen van [eiseres] na het sluiten van de overeenkomst kan ook niet worden vastgesteld dat dit de bedoeling was van partijen. [eiseres] heeft namelijk na 29 juni 2022 elke maand € 130,00 via een automatische incasso bij [gedaagde] in rekening gebracht. Er is geen hogere prijs geïncasseerd voor óók de werkzaamheden die betrekking zouden hebben op de maanden januari tot en met juni 2022, terwijl die werkzaamheden wel zijn uitgevoerd in de maanden na 29 juni 2022. [eiseres] stuurt pas ruim een jaar later, namelijk op 24 oktober 2023, een factuur voor de resterende maanden. Dat is erg laat. Indien partijen in juni 2022 hadden afgesproken dat [gedaagde] daarvoor moest betalen, had het voor de hand gelegen dat [eiseres] dit bedrag direct na het afsluiten van de overeenkomst, na het uitvoeren van de werkzaamheden, of in ieder geval direct na afloop van het jaar 2022 in rekening had gebracht.
2.5.
Omdat [gedaagde] niet aan [eiseres] hoeft te betalen en de vordering van [eiseres] dus wordt afgewezen, worden ook de nevenvorderingen afgewezen.
Proceskosten
2.6.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] , die in persoon procedeert, worden begroot op nihil.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst de vorderingen af,
3.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan de datum van dit vonnis begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2024.
Hoge Raad 13 maart 1981, NJ 1981/635 (Haviltex).
Hoge Raad 12 oktober 2012, NJ 2012, 589.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11084151 \ UC EXPL 24-2954 CMR/51145
Vonnis van 18 september 2024
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. J.J. van Kuijk,
tegen
[gedaagde] ,
handelend onder de naam [handelsnaam 1] en [handelsnaam 2],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, - de conclusie van antwoord, - de conclusie van repliek, - de conclusie van dupliek, - de akte uitlating producties van [eiseres] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Beoordeling
Kern van de zaak
2.1.
[gedaagde] heeft [eiseres] op 29 juni 2022 opdracht gegeven om boekhoudwerkzaamheden voor hem te verrichten. Volgens [eiseres] moet [gedaagde] nog € 780,00 betalen voor de werkzaamheden die zij heeft verricht voor de maanden januari 2022 tot en met juni 2022. [gedaagde] is het daar niet mee eens, omdat partijen in die periode nog geen overeenkomst hadden gesloten. De kantonrechter volgt [gedaagde] en wijst de vordering van [eiseres] af.
[gedaagde] hoeft niet te betalen aan [eiseres]
2.2.
[eiseres] en [gedaagde] hebben op 29 juni 2022 een overeenkomst van opdracht gesloten. Zij hebben afgesproken dat [eiseres] boekhoudwerkzaamheden voor [gedaagde] verricht. Daarvoor moet [gedaagde] € 130,00 inclusief btw per maand betalen. [eiseres] en [gedaagde] hebben beide een andere uitleg van laatstgenoemde afspraak.
Volgens [eiseres] gaat het om € 130,00 voor elke maand waarop de werkzaamheden betrekking hebben gehad. Volgens [eiseres] heeft zij immers werkzaamheden verricht voor het hele (boek)jaar 2022. Bijvoorbeeld: omdat de belastingaangifte voor het tweede kwartaal van 2022 betrekking heeft op de maanden april, mei en juni van dat jaar, moet [gedaagde] voor die maanden € 130,00 per maand betalen.
Volgens [gedaagde] gaat het om € 130,00 voor elke maand vanaf het moment dat de overeenkomst is gesloten. Voor de maanden daarvoor is [gedaagde] niks verschuldigd, omdat er toen nog geen opdracht was gegeven en [eiseres] geen werkzaamheden heeft verricht.
2.3.
Om vast te stellen wat partijen precies zijn overeengekomen, is een uitleg van de overeenkomst nodig. Het is vaste rechtspraak dat daarvoor niet alleen moet worden gekeken naar de tekst van de overeenkomst. Het is ook belangrijk wat partijen verder nog gezegd en gedaan hebben, en wat zij op grond daarvan van elkaar mochten verwachten. Niet alleen het gedrag rondom het sluiten van de overeenkomst is van belang. Ook wat partijen ná het sluiten van de overeenkomst gedaan hebben, kan een rol spelen bij het bepalen wat partijen zijn overeengekomen.
2.4.
De kantonrechter volgt de uitleg van [gedaagde] . Hij hoeft dus niet te betalen voor de maanden januari 2022 tot en met juni 2022. Bij dit oordeel is het volgende van belang. Vooropgesteld wordt dat in de overgelegde overeenkomst niks staat vermeld over de overeengekomen prijs. [eiseres] stelt wel tijdens het intakegesprek te hebben gezegd dat zij in totaal € 1.560,00 in rekening zou brengen voor het hele boekjaar 2022, maar dat heeft [gedaagde] betwist. Op grond van de gedragingen van [eiseres] na het sluiten van de overeenkomst kan ook niet worden vastgesteld dat dit de bedoeling was van partijen. [eiseres] heeft namelijk na 29 juni 2022 elke maand € 130,00 via een automatische incasso bij [gedaagde] in rekening gebracht. Er is geen hogere prijs geïncasseerd voor óók de werkzaamheden die betrekking zouden hebben op de maanden januari tot en met juni 2022, terwijl die werkzaamheden wel zijn uitgevoerd in de maanden na 29 juni 2022. [eiseres] stuurt pas ruim een jaar later, namelijk op 24 oktober 2023, een factuur voor de resterende maanden. Dat is erg laat. Indien partijen in juni 2022 hadden afgesproken dat [gedaagde] daarvoor moest betalen, had het voor de hand gelegen dat [eiseres] dit bedrag direct na het afsluiten van de overeenkomst, na het uitvoeren van de werkzaamheden, of in ieder geval direct na afloop van het jaar 2022 in rekening had gebracht.
2.5.
Omdat [gedaagde] niet aan [eiseres] hoeft te betalen en de vordering van [eiseres] dus wordt afgewezen, worden ook de nevenvorderingen afgewezen.
Proceskosten
2.6.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] , die in persoon procedeert, worden begroot op nihil.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst de vorderingen af,
3.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan de datum van dit vonnis begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2024.
Hoge Raad 13 maart 1981, NJ 1981/635 (Haviltex).
Hoge Raad 12 oktober 2012, NJ 2012, 589.