Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-12-04
ECLI:NL:RBMNE:2024:6991
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,208 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11172006 \ LC EXPL 24-1683
Vonnis van 4 december 2024
in de zaak van
ONVZ ZIEKTEKOSTENVERZEKERAAR N.V.,
gevestigd in Houten,
eisende partij,
gemachtigde: Flanderijn & Van Eck,
tegen
[gedaagde]
,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
procederend in persoon.
Partijen worden hieronder aangeduid als ONVZ en [gedaagde] .
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 mei 2024 met producties,- de conclusie van antwoord in de vorm van een schriftelijke reactie met producties, ontvangen door de kantonrechter op 25 juni 2024,- de conclusie van repliek van 21 augustus 2024 met producties,- de conclusie van dupliek in de vorm van een schriftelijke reactie, ontvangen door de kantonrechter op 16 september 2024.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat er op 16 oktober 2024 een vonnis zou worden uitgesproken. Wegens omstandigheden is deze datum verschoven naar vandaag.
2De kern van de zaak
2.1.
ONVZ vordert betaling van € 176,85 vermeerderd met rente en kosten van [gedaagde] . Volgens ONVZ gaat het om een openstaand bedrag aan verzekeringspremies over de maanden december 2022, januari 2023 en februari 2023. [gedaagde] stelt aan de hand van bankafschriften dat hij deze premies al heeft betaald. Omdat op basis van de stukken op dit moment niet is vast te stellen wat er op welk moment is betaald door [gedaagde] , stelt de kantonrechter ONVZ in de gelegenheid om bij akte een overzicht aan te leveren van alle betalingen die [gedaagde] in 2022 en 2023 aan haar heeft verricht.
Beoordeling
3.1.
ONVZ vordert betaling van [gedaagde] van een openstaand bedrag aan verzekeringspremies dat [gedaagde] verschuldigd zou zijn. Volgens ONVZ gaat het hierbij om een restantbedrag over de maanden december 2022, januari 2023 en februari 2023. [gedaagde] stelt dat hij de verzekeringspremies over deze maanden al betaald heeft. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [gedaagde] verschillende bankafschriften overgelegd van betalingen die hij aan ONZV heeft verricht. ONVZ betwist deze betalingen van [gedaagde] . Volgens ONVZ zijn deze betalingen door het vermelde kenmerk in de omschrijving niet toegerekend aan de premie die zij in deze procedure van [gedaagde] vordert. ONVZ legt alleen niet uit waarom die kenmerken op een andere premie zien. Uit de kenmerken die vermeld staan in de overgelegde betalingsafschriften, valt dit ook niet af te leiden. Gelet op het voorgaande is het voor de kantonrechter niet duidelijk geworden welke betalingen [gedaagde] op dit moment aan ONVZ heeft verricht.
3.2.
Omdat ONVZ een volgens haar openstaande premiebetaling vordert, is het van belang dat vast komt te staan wat, en op welk moment, [gedaagde] aan ONVZ heeft betaald.
Het is aan ONVZ om hier inzicht in te geven. ONVZ houdt namelijk alle premiebetalingen van [gedaagde] in haar administratie bij. Bovendien weet ONVZ, door het vermelde kenmerk in de omschrijving, welke betaling aan welke premie toe te rekenen is.
3.3.
De kantonrechter stelt ONVZ in de gelegenheid om bij akte een overzicht aan te leveren van alle premiebetalingen die [gedaagde] in 2022 en 2023 aan haar heeft verricht. Uit dit overzicht moet in ieder geval blijken hoe ONVZ de betalingen van [gedaagde] aan de verschuldigde verzekeringspremies heeft toegerekend. Dit kan ONVZ bijvoorbeeld doen door bij alle betalingen een omschrijving te vermelden, die herleid kan worden naar de bijbehorende maandelijkse premie. Ook moet inzichtelijk worden op welke datum alle premiebetalingen uit de opgevraagde periode door [gedaagde] zijn gedaan. Daarna wordt [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om bij antwoordakte hierop te reageren.
3.4.
In afwachting hiervan wordt iedere verdere beslissing aangehouden.
Dictum
De kantonrechter
4.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 18 december 2024 voor het nemen van een akte door ONVZ over wat is vermeld onder rechtsoverweging 3.3, waarna [gedaagde] op de rol van twee weken daarna een antwoordakte kan nemen,
4.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Wachter en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2024.
WZ (63175)