Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-12-24
ECLI:NL:RBMNE:2024:6949
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,037 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5082
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2024 in de zaak tussen
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. G. Kranendonk),
en
het college van burgemeester en wethouders van gemeente Hilversum, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van verzoeker omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek om handhavend op te treden van 5 maart 2024.
Op 20 augustus 2024 heeft verweerder alsnog een besluit genomen op het verzoek.
Verzoeker verzoekt nu om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verweerder heeft op dit verzoek gereageerd.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een verzoek kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Dat is wat verzoeker heeft gedaan. Inmiddels heeft verweerder wel een besluit genomen. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoeker wilde en de rechtbank hoeft dit dan ook niet meer aan verweerder op te dragen. Omdat verzoeker het beroep niet heeft ingetrokken moet de rechtbank nog wel een beslissing nemen over het beroep.
3. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. De rechtbank zal geen uitspraak doen over de vraag of verzoeker gelijk had met zijn beroep. Dit is om de volgende reden. Verzoeker wilde met zijn beroep bereiken dat verweerder zou beslissen op zijn verzoek. Omdat verweerder heeft beslist, heeft het beroep van verzoeker geen zin meer. Verzoeker heeft daarom geen belang meer bij zijn oorspronkelijke beroep (geen procesbelang).
4. Over de vergoeding van de proceskosten die verzoeker vraagt overweegt de rechtbank het volgende.
5. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de andere partij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
6. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld binnen twee weken te reageren op het verzoek om veroordeling van de proceskosten. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoeker en heeft aangegeven akkoord te zijn om een bedrag van € 437,50 te betalen. Verweerder heeft aangegeven dit bedrag over te maken naar het opgegeven bankrekeningnummer.
7. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoeker die verweerder moet betalen vast op € 437,50 * (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5). Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een wegingsfactor van 0,5 toegepast.
8. Verweerder moet ook het griffierecht van € 187,- aan verzoeker betalen (artikel 8:41 Awb).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat verzoeker heeft betaald moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 437,50 aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
J.M.J. Kooistra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.