Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-12-18
ECLI:NL:RBMNE:2024:6872
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,608 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11300687 \ MC EXPL 24-5848
Vonnis in incident van 18 december 2024 (bij vervroeging)
in de zaak van
1 [procesdeelnemer I] ,
te [woonplaats] ,2. [procesdeelneemster II],
te [woonplaats] ,
eisende partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [procesdeelnemer I] c.s.,
gemachtigde: mr. B.M. Rol, werkzaam bij Stichting VvAA Rechtsbijstand,
tegen
1 [procesdeelnemer III] ,
te [woonplaats] ,2. [procesdeelneemster IV],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [procesdeelnemer III] c.s.,
gemachtigde: mr. N. Bakker.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 september 2024 met producties 1-12;
- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid;
- de conclusie van antwoord in het incident met productie 1.
1.2.
Vervolgens is vonnis in het incident bepaald.
Geschil
2.1.
[procesdeelnemer III] c.s. vordert dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, sector civiel, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [procesdeelnemer I] c.s. in de proceskosten van het incident.
2.2.
[procesdeelnemer III] c.s. legt hieraan ten grondslag dat de kantonrechter niet bevoegd is om van de vordering kennis te nemen, omdat er sprake is van een vordering van onbepaalde waarde en er geen duidelijke aanwijzingen zijn dat de vorderingen een hogere waarde dan € 25.000,- vertegenwoordigen.
2.3.
[procesdeelnemer I] c.s. voert verweer en neemt het standpunt in dat de kantonrechter wel bevoegd is, omdat er duidelijke aanwijzingen zijn dat de vorderingen een waarde vertegenwoordigen die lager ligt dan € 25.000,-.
Beoordeling
3.1.
In het incident moet de vraag beantwoord worden of de kantonrechter bevoegd is om de hoofdzaak te behandelen. De bevoegdheid van de kantonrechter is geregeld in artikel 93 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In sub a van dat artikel is bepaald dat de kantonrechter bevoegd is in zaken waarin vorderingen van ten hoogste
€ 25.000,- zijn ingesteld. Sub b bepaalt dat de kantonrechter ook bevoegd is bij vorderingen van onbepaalde waarde, als er duidelijke aanwijzingen zijn dat de vorderingen geen hogere waarde vertegenwoordigen dan € 25.000,-.
3.2.
In deze zaak heeft [procesdeelnemer I] c.s. drie vorderingen ingesteld. Twee vorderingen van onbepaalde waarde en één geldvordering. In dat geval bepaalt artikel 94 lid 1 Rv dat voor de toepassing van artikel 93 Rv beslissend is het totale beloop of de totale waarde van deze vorderingen.
3.3.
De geldvordering betreft een bedrag van € 520,-. De overige twee vorderingen komen feitelijk neer op 1) de verwijdering van een (deel van) de dakgoot van een schuur van [procesdeelnemer III] c.s. die boven het perceel van [procesdeelnemer I] c.s. zou hangen en 2) het zodanig inrichten van (het dak van) deze schuur zodat deze niet langer afwatert op het perceel van [procesdeelnemer I] c.s. Naar het oordeel van de kantonrechter is aannemelijk dat het samenstel van deze vorderingen niet het bedrag van € 25.000,- overstijgt. Als het enkel gaat om de verwijdering van (een deel van) de dakgoot, is dit duidelijk. Ook als (een deel van) het dak zou moeten worden aangepast, is aannemelijk dat dit geen € 25.000,- zal kosten.
3.4.
De kantonrechter is daarom bevoegd om van deze zaak kennis te nemen. De vordering in het incident wordt daarom afgewezen.
3.5.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van [procesdeelnemer III] c.s., omdat hij ongelijk heeft gekregen. De kosten van [procesdeelnemer I] c.s. worden begroot op € 271,00 aan salaris gemachtigde.
Dictum
De kantonrechter:
in het incident:
4.1.
wijst de vordering af;
4.2.
veroordeelt [procesdeelnemer III] c.s. tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [procesdeelnemer I] c.s., tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 271,00 aan salaris gemachtigde;
in de hoofdzaak:
4.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 15 januari 2025 om 11:00 uur voor het nemen van een conclusie van antwoord door [procesdeelnemer III] c.s.;
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op
18 december 2024.
45353
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11300687 \ MC EXPL 24-5848
Vonnis in incident van 18 december 2024 (bij vervroeging)
in de zaak van
1 [procesdeelnemer I] ,
te [woonplaats] ,2. [procesdeelneemster II],
te [woonplaats] ,
eisende partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [procesdeelnemer I] c.s.,
gemachtigde: mr. B.M. Rol, werkzaam bij Stichting VvAA Rechtsbijstand,
tegen
1 [procesdeelnemer III] ,
te [woonplaats] ,2. [procesdeelneemster IV],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [procesdeelnemer III] c.s.,
gemachtigde: mr. N. Bakker.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 september 2024 met producties 1-12;
- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid;
- de conclusie van antwoord in het incident met productie 1.
1.2.
Vervolgens is vonnis in het incident bepaald.
Geschil
2.1.
[procesdeelnemer III] c.s. vordert dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, sector civiel, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [procesdeelnemer I] c.s. in de proceskosten van het incident.
2.2.
[procesdeelnemer III] c.s. legt hieraan ten grondslag dat de kantonrechter niet bevoegd is om van de vordering kennis te nemen, omdat er sprake is van een vordering van onbepaalde waarde en er geen duidelijke aanwijzingen zijn dat de vorderingen een hogere waarde dan € 25.000,- vertegenwoordigen.
2.3.
[procesdeelnemer I] c.s. voert verweer en neemt het standpunt in dat de kantonrechter wel bevoegd is, omdat er duidelijke aanwijzingen zijn dat de vorderingen een waarde vertegenwoordigen die lager ligt dan € 25.000,-.
Beoordeling
3.1.
In het incident moet de vraag beantwoord worden of de kantonrechter bevoegd is om de hoofdzaak te behandelen. De bevoegdheid van de kantonrechter is geregeld in artikel 93 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In sub a van dat artikel is bepaald dat de kantonrechter bevoegd is in zaken waarin vorderingen van ten hoogste
€ 25.000,- zijn ingesteld. Sub b bepaalt dat de kantonrechter ook bevoegd is bij vorderingen van onbepaalde waarde, als er duidelijke aanwijzingen zijn dat de vorderingen geen hogere waarde vertegenwoordigen dan € 25.000,-.
3.2.
In deze zaak heeft [procesdeelnemer I] c.s. drie vorderingen ingesteld. Twee vorderingen van onbepaalde waarde en één geldvordering. In dat geval bepaalt artikel 94 lid 1 Rv dat voor de toepassing van artikel 93 Rv beslissend is het totale beloop of de totale waarde van deze vorderingen.
3.3.
De geldvordering betreft een bedrag van € 520,-. De overige twee vorderingen komen feitelijk neer op 1) de verwijdering van een (deel van) de dakgoot van een schuur van [procesdeelnemer III] c.s. die boven het perceel van [procesdeelnemer I] c.s. zou hangen en 2) het zodanig inrichten van (het dak van) deze schuur zodat deze niet langer afwatert op het perceel van [procesdeelnemer I] c.s. Naar het oordeel van de kantonrechter is aannemelijk dat het samenstel van deze vorderingen niet het bedrag van € 25.000,- overstijgt. Als het enkel gaat om de verwijdering van (een deel van) de dakgoot, is dit duidelijk. Ook als (een deel van) het dak zou moeten worden aangepast, is aannemelijk dat dit geen € 25.000,- zal kosten.
3.4.
De kantonrechter is daarom bevoegd om van deze zaak kennis te nemen. De vordering in het incident wordt daarom afgewezen.
3.5.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van [procesdeelnemer III] c.s., omdat hij ongelijk heeft gekregen. De kosten van [procesdeelnemer I] c.s. worden begroot op € 271,00 aan salaris gemachtigde.
Dictum
De kantonrechter:
in het incident:
4.1.
wijst de vordering af;
4.2.
veroordeelt [procesdeelnemer III] c.s. tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [procesdeelnemer I] c.s., tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 271,00 aan salaris gemachtigde;
in de hoofdzaak:
4.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 15 januari 2025 om 11:00 uur voor het nemen van een conclusie van antwoord door [procesdeelnemer III] c.s.;
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op
18 december 2024.
45353