Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-11-27
ECLI:NL:RBMNE:2024:6726
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,350 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 11286510 \ AC EXPL 24-2102
Vonnis van 27 november 2024
in de zaak van
BMW FINANCIAL SERVICES NEDERLAND B.V, H.O.D.N. ALPHERA FINANCIAL SERVICES, handelend onder de naam Alpha Financial Services,
te Breda,
eisende partij,
hierna te noemen: BMW,
gemachtigde: mr. J.M. Wisseborn,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,2. [gedaagde sub 2] , VENNOOT,
te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
procederend in persoon,3. [gedaagde sub 3] , H.O.D.N. [handelsnaam] , IN HOEDANIGHEID VAN BEWINDVOERDER [onderbewindgestelde] , VENNOOT,
te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
niet verschenen,
gedaagde partijen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 2]- de conclusie van repliek.
1.2.
[gedaagde sub 2] heeft, hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid gesteld, daarna niet voor dupliek geconcludeerd.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De kern van de zaak
2.1.
[gedaagde sub 1] leaste een bestelbus van BMW. Omdat de maandelijkse betaling niet werden voldaan ontbond BMW de overeenkomst. [gedaagde sub 1] en haar vennoten moeten de schadevergoeding betalen die BMW eist, verminderd met de verkoopopbrengst van € 6.512,97 van de bestelbus.
Beoordeling
3.1.
De kantonrechter verleent verstek aan de bewindvoerder.
De vennoten zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schade
3.2.
BMW mocht de leaseovereenkomst met [gedaagde sub 1] ontbinden, want [gedaagde sub 1] stopte met de maandbetalingen. BMW heeft recht op een schadevergoeding van [gedaagde sub 1] . Elk van de vennoten van [gedaagde sub 1] is hoofdelijk verbonden voor de verbintenissen van de vennootschap onder firma. Zij zijn daarom ook hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade.
3.3.
BMW stelt dat de schade bestaat uit het krediet (€ 11.523,86) en de kredietvergoeding (€ 957,55), dus € 12.481,41, verminderd met de al gedane betalingen van € 3.711,16. Dan resteert nog te betalen € 8.770,25. Hierop wordt de verkoopopbrengst van de bestelbus in mindering gebracht, dat is zo afgesproken in de overeenkomst. In de dagvaarding staat € 5.755,90 als opbrengst van de bestelbus waarna € 3.014,35 resteert te betalen. BMW vordert een hoofdelijke veroordeling tot betaling van € 3.014,35.
3.4.
De bewindvoerder, die de belangen behartigt van vennoot [onderbewindgestelde] , is niet in het geding verschenen. De kantonrechter verleent verstek. De vordering is rechtmatig maar deels ongegrond. De vordering tegen de bewindvoerder wordt daarom toch gedeeltelijk afgewezen. De ongegrondheid van een deel van de vordering blijkt uit het volgende.
De schade is € 2.257,28
3.5.
Volgens [gedaagde sub 2] is de verkoopopbrengst van de bestelbus te laag. Als hij vergelijkt met prijzen op markplaats, is de bestelbus volgens hem meer geld waard. BMW legt bij repliek uit dat eerst een taxatierapport is opgemaakt en dat de bestelbus uiteindelijk op een executieveiling is verkocht. Na aftrek van de verkoopkosten bleef € 6.512,97 over, zo blijkt uit het stuk dat BMW heeft overgelegd. [gedaagde sub 2] heeft daartegen verder niets aangevoerd.
3.6.
In de leaseovereenkomst is afgesproken dat de verkoopopbrengst bepalend is bij het vaststellen van de schade. Dat weerspreekt [gedaagde sub 2] niet. Het is echter niet duidelijk waarom in de dagvaarding een ander, lager bedrag staat als de opbrengst van de bestelbus. BMW benoemt dat verschil niet in haar conclusie van repliek en legt het verschil dus ook niet uit. De kantonrechter gaat uit van de netto verkoopopbrengst van € 6.512,97 waarvan ook een document is overgelegd. Die opbrengst wordt in mindering gebracht op het openstaande bedrag van € 8.770,25, zodat resteert te betalen € 2.257,28. Voor de hogere vordering van € 3.014,35 is geen grond. Voor alle gedaagden geldt daarom een hoofdelijk toe te wijzen hoofdsom van € 2.257,28.
Ook wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten worden toegewezen
3.7.
BMW vordert de rente zoals die in overeenkomst staat in artikel 6 voor het geval dat maandbetalingen te laat worden gedaan. Bij deze vordering gaat het echter niet meer om nakoming van de maandbetalingen. De overeenkomst is immers door BMW ontbonden en BMW eist schadevergoeding. De gevorderde contractuele rente mist een grondslag. Als onderdeel van de schadevergoeding zal wel de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen vanaf de datum van verzuim.
3.8.
BMW vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 547,10. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding daarvan is voldaan. Echter, volgens het toepasselijke Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is de gevorderde vergoeding te hoog. Bij een hoofdsom van € 2.257,28 hoort volgens dat Besluit een tarief van € 409,70 en dat bedrag zal worden toegewezen. In totaal wordt € 2.666,98 toegewezen.
3.9.
De gedaagde partijen zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom hoofdelijk de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat pas bij repliek de juiste verkoopwaarde van de bestelbus duidelijk is geworden, begroot de kantonrechter 1 punt aan salariskosten. De proceskosten van BMW worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,96
- griffierecht
€
496,00
- salaris gemachtigde
€
238,00
(1 punt × € 238,00)
- nakosten
€
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
998,96
3.10.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Dictum
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt gedaagde partijen hoofdelijk om aan BMW te betalen een bedrag van € 2.666,98, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.257,28 vanaf de datum van verzuim tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt gedaagde partijen hoofdelijk in de proceskosten van € 998,96, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partijen niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2024. 1006
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 11286510 \ AC EXPL 24-2102
Vonnis van 27 november 2024
in de zaak van
BMW FINANCIAL SERVICES NEDERLAND B.V, H.O.D.N. ALPHERA FINANCIAL SERVICES, handelend onder de naam Alpha Financial Services,
te Breda,
eisende partij,
hierna te noemen: BMW,
gemachtigde: mr. J.M. Wisseborn,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,2. [gedaagde sub 2] , VENNOOT,
te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
procederend in persoon,3. [gedaagde sub 3] , H.O.D.N. [handelsnaam] , IN HOEDANIGHEID VAN BEWINDVOERDER [onderbewindgestelde] , VENNOOT,
te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
niet verschenen,
gedaagde partijen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 2]- de conclusie van repliek.
1.2.
[gedaagde sub 2] heeft, hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid gesteld, daarna niet voor dupliek geconcludeerd.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De kern van de zaak
2.1.
[gedaagde sub 1] leaste een bestelbus van BMW. Omdat de maandelijkse betaling niet werden voldaan ontbond BMW de overeenkomst. [gedaagde sub 1] en haar vennoten moeten de schadevergoeding betalen die BMW eist, verminderd met de verkoopopbrengst van € 6.512,97 van de bestelbus.
Beoordeling
3.1.
De kantonrechter verleent verstek aan de bewindvoerder.
De vennoten zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schade
3.2.
BMW mocht de leaseovereenkomst met [gedaagde sub 1] ontbinden, want [gedaagde sub 1] stopte met de maandbetalingen. BMW heeft recht op een schadevergoeding van [gedaagde sub 1] . Elk van de vennoten van [gedaagde sub 1] is hoofdelijk verbonden voor de verbintenissen van de vennootschap onder firma. Zij zijn daarom ook hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade.
3.3.
BMW stelt dat de schade bestaat uit het krediet (€ 11.523,86) en de kredietvergoeding (€ 957,55), dus € 12.481,41, verminderd met de al gedane betalingen van € 3.711,16. Dan resteert nog te betalen € 8.770,25. Hierop wordt de verkoopopbrengst van de bestelbus in mindering gebracht, dat is zo afgesproken in de overeenkomst. In de dagvaarding staat € 5.755,90 als opbrengst van de bestelbus waarna € 3.014,35 resteert te betalen. BMW vordert een hoofdelijke veroordeling tot betaling van € 3.014,35.
3.4.
De bewindvoerder, die de belangen behartigt van vennoot [onderbewindgestelde] , is niet in het geding verschenen. De kantonrechter verleent verstek. De vordering is rechtmatig maar deels ongegrond. De vordering tegen de bewindvoerder wordt daarom toch gedeeltelijk afgewezen. De ongegrondheid van een deel van de vordering blijkt uit het volgende.
De schade is € 2.257,28
3.5.
Volgens [gedaagde sub 2] is de verkoopopbrengst van de bestelbus te laag. Als hij vergelijkt met prijzen op markplaats, is de bestelbus volgens hem meer geld waard. BMW legt bij repliek uit dat eerst een taxatierapport is opgemaakt en dat de bestelbus uiteindelijk op een executieveiling is verkocht. Na aftrek van de verkoopkosten bleef € 6.512,97 over, zo blijkt uit het stuk dat BMW heeft overgelegd. [gedaagde sub 2] heeft daartegen verder niets aangevoerd.
3.6.
In de leaseovereenkomst is afgesproken dat de verkoopopbrengst bepalend is bij het vaststellen van de schade. Dat weerspreekt [gedaagde sub 2] niet. Het is echter niet duidelijk waarom in de dagvaarding een ander, lager bedrag staat als de opbrengst van de bestelbus. BMW benoemt dat verschil niet in haar conclusie van repliek en legt het verschil dus ook niet uit. De kantonrechter gaat uit van de netto verkoopopbrengst van € 6.512,97 waarvan ook een document is overgelegd. Die opbrengst wordt in mindering gebracht op het openstaande bedrag van € 8.770,25, zodat resteert te betalen € 2.257,28. Voor de hogere vordering van € 3.014,35 is geen grond. Voor alle gedaagden geldt daarom een hoofdelijk toe te wijzen hoofdsom van € 2.257,28.
Ook wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten worden toegewezen
3.7.
BMW vordert de rente zoals die in overeenkomst staat in artikel 6 voor het geval dat maandbetalingen te laat worden gedaan. Bij deze vordering gaat het echter niet meer om nakoming van de maandbetalingen. De overeenkomst is immers door BMW ontbonden en BMW eist schadevergoeding. De gevorderde contractuele rente mist een grondslag. Als onderdeel van de schadevergoeding zal wel de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen vanaf de datum van verzuim.
3.8.
BMW vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 547,10. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding daarvan is voldaan. Echter, volgens het toepasselijke Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is de gevorderde vergoeding te hoog. Bij een hoofdsom van € 2.257,28 hoort volgens dat Besluit een tarief van € 409,70 en dat bedrag zal worden toegewezen. In totaal wordt € 2.666,98 toegewezen.
3.9.
De gedaagde partijen zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom hoofdelijk de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat pas bij repliek de juiste verkoopwaarde van de bestelbus duidelijk is geworden, begroot de kantonrechter 1 punt aan salariskosten. De proceskosten van BMW worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,96
- griffierecht
€
496,00
- salaris gemachtigde
€
238,00
(1 punt × € 238,00)
- nakosten
€
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
998,96
3.10.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Dictum
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt gedaagde partijen hoofdelijk om aan BMW te betalen een bedrag van € 2.666,98, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.257,28 vanaf de datum van verzuim tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt gedaagde partijen hoofdelijk in de proceskosten van € 998,96, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partijen niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2024. 1006