Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-12-06
ECLI:NL:RBMNE:2024:6700
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
2,392 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 24/7794 en 24/7795
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 december 2024 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. S. Schilder),
en
de burgemeester van de gemeente Stichtse Vecht
(gemachtigden: R. Vianen en S. Meurs).
Inleiding
In deze zaak heeft de voorzieningenrechter een mondelinge uitspraak gedaan, direct nadat de zaak is behandeld op de zitting van 6 december 2024. Dit proces-verbaal is de schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak.
Bij de zitting waren verzoeker, de waarnemer van zijn gemachtigde en de gemachtigden van de burgemeester. De voorzieningenrechter heeft hen gewezen op de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de besluiten van 13 november 2024 en van 21 november 2024;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- treft de voorlopige voorziening dat verzoeker niet vóór 7 december 2024 om 12.00 terug mag naar de woning aan de [adres] in [plaats] ;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan verzoeker.
Beoordeling
1. Deze zaak gaat over het huisverbod dat de burgemeester op 13 november 2024 aan verzoeker heeft opgelegd en over het besluit van 21 november 2024 om het huisverbod te verlengen. Het (verlengde) huisverbod houdt in dat verzoeker tot 11 december 2024 niet in zijn woning aan de [adres] in [plaats] mag komen, waar hij samen met zijn echtgenote en zijn twee kinderen woont.
2. Aan de oplegging van het huisverbod heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat verzoeker op 13 november 2024 zijn echtgenote heeft geslagen en dat er een vermoeden is dat zij ook geweld heeft gebruikt tegen hem. Verder werd van belang geacht dat verzoeker drugs gebruikt en antecedenten heeft en dat er ruzies zijn tussen hem en zijn echtgenote die voor spanningen zorgen. Aan de verlenging van het huisverbod heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat tijdens het zorgoverleg is gebleken dat er nog onvoldoende is gedaan om hulpverlening op te starten en dat er nog geen veiligheidsafspraken zijn gemaakt.
3. De voorzieningenrechter doet niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook direct op het beroep zelf. Hij is na afloop van de zitting namelijk tot de conclusie gekomen dat verder onderzoek naar de zaak niet meer nodig is. Het beroep is zowel gericht tegen de oplegging van het huisverbod, als tegen de verlenging daarvan.
Het proces-verbaal is onvoldoende voor een huisverbod
4. De voorzieningenrechter vindt het onvoldoende aannemelijk dat verzoeker op 13 november 2024 zijn echtgenote heeft geslagen. De politie heeft die dag proces-verbaal opgemaakt en daaruit volgt dat het neerkomt op het woord van verzoeker tegen het woord van zijn echtgenote. Er zijn verder geen elementen die het slaan van verzoeker ondersteunen; er is bijvoorbeeld geen letsel geconstateerd bij de echtgenote.
5. In het huisverbod is ook een ‘vermoeden van’ geweld vermeld van de echtgenote jegens verzoeker. Dat vindt de voorzieningenrechter ook onvoldoende aannemelijk. Het wordt alleen ondersteund door de rode plekken op de neus en het voorhoofd die de politie bij verzoeker heeft gezien en in het proces-verbaal heeft vermeld. Verzoeker zegt dat die door het douchen zijn veroorzaakt en de echtgenote verklaart er niets over.
6. De in het huisverbod vermelde antecedenten van verzoeker kunnen zonder nadere toelichting niet bijdragen aan de vaststelling van het gevaar. De voorzieningenrechter kan wel aannemen dat de politie eerder betrokken is geweest, maar heeft te weinig informatie over wat er toen precies is gebeurd en hoe erg dat was. In het proces-verbaal staat alleen dat uit de politieadministratie blijkt dat het adres van verzoeker daarin voorkomt “ter zake van huiselijk geweld waarbij de man de vrouw geslagen zou hebben”, bij een incident in februari 2024. Het proces-verbaal vermeldt niet de achterliggende registraties of processen-verbaal over dat incident en de burgemeester kon hier op de zitting ook geen toelichting over geven. Verzoeker heeft op de zitting toegelicht dat in februari 2024 sprake was van een valse beschuldiging van zijn echtgenote en dat het strafrechtelijk onderzoek tot een sepot heeft geleid. In het proces-verbaal staat verder dat uit de administratie van Veilig Thuis blijkt dat het adres voorkomt bij meldingen van huiselijk geweld, maar ook dat is verder niet toegelicht en de burgemeester had daar op de zitting geen informatie over.
7. Wat wél vast staat is dat verzoeker drugsverslaafde is. Het proces-verbaal heeft het alleen over drugsgebruik, maar uit het latere zorgadvies blijkt dat verzoeker wacht op een plek in een afkickkliniek. Verder is het aannemelijk dat verzoeker en zijn echtgenote regelmatig ruzie maken. Dit is echter niet voldoende voor de conclusie dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van zijn echtgenote en/of zijn kinderen. Het opleggen van een huisverbod is een ingrijpend instrument waarvan de toepassing zeer grote gevolgen heeft voor het privéleven van de betrokkenen. De burgemeester mag daar niet lichtvaardig mee omgaan en moet ervoor zorgen dat de feiten en omstandigheden die aan een huisverbod ten grondslag worden gelegd voldoende aannemelijk zijn. Door de summiere informatie uit het proces-verbaal en het gebrek aan toelichting daarop, voldoet de burgemeester in deze zaak niet in deze bewijsmaatstaf.
8. Het beroep tegen het huisverbod is gegrond en het besluit tot de oplegging daarvan wordt vernietigd. Daarmee vervalt de grondslag van de verlenging van het huisverbod. Het beroep tegen de verlenging is daarom ook gegrond en het besluit tot verlenging van het huisverbod wordt ook vernietigd. Bij deze uitkomst is er geen reden meer om een voorlopige voorziening te treffen ten gunste van verzoeker.
9. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgt verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten, op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.750,- voor de bijstand door een gemachtigde (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor de aanwezigheid op de zitting met een waarde per punt van € 875,-, bij een wegingsfactor 1). Voor huisverboden hoeft geen griffierecht te worden betaald, dit hoeft de burgemeester dus niet te vergoeden.
De burgemeester krijgt 24 uur en verzoeker krijgt een dringend advies
10. Deze mondelinge uitspraak wordt gedaan op vrijdag 6 december 2024, rond 11.30 uur. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat verzoeker pas vanaf zaterdag 7 december 2024, om 12.00 uur terug mag naar de woning. Dat doet hij gelet met het oog op de belangen van de echtgenote en de twee kinderen. De voorzieningenrechter heeft geen contact kunnen krijgen met de echtgenote en zij mag niet verrast worden door de plotselinge thuiskomst van verzoeker. Het is de verantwoordelijkheid van de burgemeester om ervoor te zorgen dat de echtgenote geïnformeerd wordt, zo nodig door het inschakelen van de politie. De burgemeester moet ook Veilig Thuis informeren over de opheffing van het huisverbod, zodat er zo nodig andere maatregelen kunnen worden getroffen. Met deze voorlopige voorziening heeft de burgemeester daarvoor 24 uur de tijd.
11. Verzoeker mag morgen dus naar huis. Juridisch krijgt hij gelijk. De voorzieningenrechter zou het echter verstandig vinden en geeft verzoeker het nadrukkelijke advies om niet naar huis terug te gaan en ergens anders te verblijven tot hij in een afkickkliniek terecht kan. Dat is in het belang van zijn twee kinderen.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2024 door mr. K. de Meulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Pruntel, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.