Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-12-13
ECLI:NL:RBMNE:2024:6665
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,648 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2084
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 december 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [plaats] , verzoekster,
(gemachtigde: mr. E.T. de Jong),
en
de Burgemeester en Wethouders van de gemeente Tiel, verweerder.
Overwegingen
1. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 mei 2023 van verweerder om een omgevingsvergunning voor het realiseren van een sportschool te verlenen. Verweerder heeft op 29 november 2023 een beslissing op dat bezwaar genomen. Verzoekster is hiertegen in beroep gegaan. Op 18 september 2024 heeft verweerder medegedeeld dat hij terugkomt op het besluit van 29 november 2023 en dat hij de beslissing op bezwaar intrekt. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoekster wilde. Verzoekster heeft daarna op 1 oktober 2024 het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht.
3. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld binnen twee weken te reageren op het verzoek om veroordeling van de proceskosten. Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek. De rechtbank leidt hier uit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.
4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op
€ 875,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 371,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.
Dictum
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 875,- aan proceskosten.
Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
J.M.J. Kooistra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2084
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 december 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [plaats] , verzoekster,
(gemachtigde: mr. E.T. de Jong),
en
de Burgemeester en Wethouders van de gemeente Tiel, verweerder.
Overwegingen
1. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 mei 2023 van verweerder om een omgevingsvergunning voor het realiseren van een sportschool te verlenen. Verweerder heeft op 29 november 2023 een beslissing op dat bezwaar genomen. Verzoekster is hiertegen in beroep gegaan. Op 18 september 2024 heeft verweerder medegedeeld dat hij terugkomt op het besluit van 29 november 2023 en dat hij de beslissing op bezwaar intrekt. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoekster wilde. Verzoekster heeft daarna op 1 oktober 2024 het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht.
3. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld binnen twee weken te reageren op het verzoek om veroordeling van de proceskosten. Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek. De rechtbank leidt hier uit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.
4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op
€ 875,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 371,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.
Dictum
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 875,- aan proceskosten.
Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
J.M.J. Kooistra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.