Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-12-09
ECLI:NL:RBMNE:2024:6661
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,080 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/2962
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, verweerder
(gemachtigde: mr. B.J. Eising).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 16 mei 2023.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 16 mei 2023. Hij heeft verzocht om schriftelijke stukken en een beroep gedaan op de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Eiser heeft het college op 17 juni 2023 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.
4. De rechtbank stelt vast dat het college het verzoek van eiser heeft opgevat als een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) en op 17 juli 2023 hierop alsnog heeft beslist. Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Op grond van het vierde lid van dit artikel wordt het beroep verwezen naar het college teneinde het te behandelen als bezwaar tegen het alsnog genomen besluit. Uit de brief van eiser van 11 augustus 2023 begrijpt de rechtbank dat eiser het niet eens is met het genomen besluit. De rechtbank zal daarom het beroep naar verweerder verwijzen ter behandeling als bezwaar. Gelet op het verzoek van eiser, geeft de rechtbank het college in overweging om te heroverwegen of het gaat om een verzoek op grond van de Woo of een verzoek op grond van de AVG.
5. Omdat het college alsnog op de aanvraag van eiser heeft beslist, heeft eiser geen procesbelang meer bij het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
6. Omdat het besluit genomen is na het instellen van het beroep moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. N.A.P. Vrijsen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/2962
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, verweerder
(gemachtigde: mr. B.J. Eising).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 16 mei 2023.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 16 mei 2023. Hij heeft verzocht om schriftelijke stukken en een beroep gedaan op de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Eiser heeft het college op 17 juni 2023 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.
4. De rechtbank stelt vast dat het college het verzoek van eiser heeft opgevat als een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) en op 17 juli 2023 hierop alsnog heeft beslist. Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Op grond van het vierde lid van dit artikel wordt het beroep verwezen naar het college teneinde het te behandelen als bezwaar tegen het alsnog genomen besluit. Uit de brief van eiser van 11 augustus 2023 begrijpt de rechtbank dat eiser het niet eens is met het genomen besluit. De rechtbank zal daarom het beroep naar verweerder verwijzen ter behandeling als bezwaar. Gelet op het verzoek van eiser, geeft de rechtbank het college in overweging om te heroverwegen of het gaat om een verzoek op grond van de Woo of een verzoek op grond van de AVG.
5. Omdat het college alsnog op de aanvraag van eiser heeft beslist, heeft eiser geen procesbelang meer bij het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
6. Omdat het besluit genomen is na het instellen van het beroep moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. N.A.P. Vrijsen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.