Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-12-09
ECLI:NL:RBMNE:2024:6647
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
848 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/3068
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2024 in de zaak tussen
[eiser 1] , uit [woonplaats 1] , en
[eiser 2]
, uit [woonplaats 2] , eisers
en
Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport, verweerder
(gemachtigde: mr. M.A.H. Gatzen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eisers tegen het bestreden besluit van de minister van 21 april 2023.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat eisers de gronden van het beroep niet hebben vermeld en dat verzuim niet tijdig hebben hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die beroep instelt, moet in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. Dat houdt in: zeggen op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
Hebben eisers de gronden tijdig vermeld?
4. Eisers hebben geen beroepsgronden vermeld in het beroepschrift. De rechtbank heeft eisers in haar bericht van 19 juli 2023 verzocht om binnen vier weken dit verzuim te herstellen. Eisers hebben binnen die termijn geen gronden ingediend. Eisers hebben de beroepsgronden dus niet tijdig vermeld.
Is het niet tijdig vermelden van de gronden verontschuldigbaar?
5. Eisers hebben geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
Conclusie
6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. E.S. Dorsman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.
Dit staat in artikel 6:6 van de Awb.