Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-11-22
ECLI:NL:RBMNE:2024:6450
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,840 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3394
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 november 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest (het college), verweerder
(gemachtigde: M. van Brummelen).
Inleiding
Eiser woont aan de [adres] in [woonplaats] (het perceel), waar in de achtertuin onder andere een zomereik staat. Eiser heeft een omgevingsvergunning gevraagd voor het kappen van die zomereik. Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd met het besluit van 12 oktober 2023 (het primaire besluit).
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met de beslissing op bezwaar van 27 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
3. De rechtbank heeft het beroep op 4 september 2024 op zitting behandeld. Eiser heeft deelgenomen aan deze zitting, vergezeld door zijn partner [A] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [B] (medewerker afdeling fysieke leefomgeving) en [C] , (boomdeskundig adviseur), allebei verbonden aan de gemeente Soest.
Beoordeling
4. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het college op juiste gronden tot het bestreden besluit is gekomen om de omgevingsvergunning te weigeren.
Wat is het toetsingskader?
5. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing.
6. Op grond van de Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning houtopstand te (doen) vellen als de provinciale of gemeentelijke verordening daarvoor een omgevingsvergunning vereist. In de Algemene plaatselijke verordening Soest 2022 (de APV Soest) wordt een onderscheid gemaakt tussen verschillende bomen. Tussen partijen is niet in geschil – en ook de rechtbank kan volgen – dat de zomereik een boom is van categorie 4 en dat voor de kap een omgevingsvergunning nodig is op grond van de APV Soest.
7. Uit de APV Soest volgt dat vergunning voor het vellen van een boom van categorie 4 wordt geweigerd, indien de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van behoud van de boom op basis van één of meer van de volgende criteria:
de boom heeft beeldbepalende waarde;
de boom heeft cultuurhistorische waarde;
de boom heeft dendrologische waarde;
e boom heeft natuur-/natuurwetenschappelijke waarde;
het betreft een herplantboom;
de boom heeft educatieve waarde.
8. Op 15 november 2012 heeft de gemeenteraad de beleidsnota "Nota bescherming en kap van bomen 2012: Bomen, de groene parels van Soest" (het kapbeleid) vastgesteld. Volgens het kapbeleid moeten boombelangen op een evenwichtige en heldere wijze worden afgewogen tegen de gemeentelijke en particuliere belangen en de verwijderingsbelangen. Het kapbeleid gaat enerzijds in op het boombelang en anderzijds op het verwijderingsbelang en de verschillende soorten ingrepen.
9. In het kapbeleid worden de te beschermen bomen onderverdeeld in verschillende categorieën, met elk een eigen inspanningsniveau, mate van bescherming, beoordelingsprocedure bij ruimtelijke ontwikkeling en mate van compensatie:
categorie 1: Bomenstructuren;
categorie 2: Monumentale bomen;
categorie 3: Waardevolle bomen;
categorie 4: Particuliere bomen op percelen > 175 m2;
categorie 5: Overige openbare bomen.
10. De zomereik staat in de achtertuin van het perceel van eiser, welke niet in een parkwijk ligt waardoor de eik valt onder categorie 4 van het kapbeleid. Hierin is bepaald dat voor alle particuliere bomen op een kavelgrootte van 175 m2 of meer én met een stamomtrek van minimaal 80 centimeter geldt dat een omgevingsvergunning wordt verleend mits geen sprake is van een weigeringsgrond. Indien sprake is van een weigeringsgrond dient er een belangenafweging plaats te vinden om te beoordelen of de vergunning kan worden verleend. Als een boom een waarde of functie heeft is sprake van een weigeringsgrond voor de verlening van een vergunning voor het kappen van een boom. Deze waarde of functie kan zijn: beeldbepalende functie, cultuurhistorische waarde, dendrologische waarde, natuur-/natuurwetenschappelijke waarde, herplantboom en/of educatieve waarde. In deze zaak speelt de beeldbepalende functie van de zomereik.
11. Het college heeft dus een bevoegdheid om de omgevingsvergunning te weigeren. Bij het besluit om al dan niet gebruik te maken van die bevoegdheid heeft het college beslissingsruimte. De rechtbank toetst of het college, onder afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de omgevingsvergunning te weigeren.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
12. Tussen partijen is niet in geschil dat de zomereik een categorie 4 boom betreft. Wel is in geschil of het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft mogen weigeren. Door eiser wordt bepleit dat het college de vergunning niet had mogen weigeren nu de boom ten onrechte is aangemerkt als beeldbepalende boom en omdat de door het college gemaakte belangenafweging onjuist is geweest.
13. De rechtbank oordeelt dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
De beeldbepalende waarde van de boom
14. Eiser stelt dat de zomereik ten onrechte is aangemerkt als beeldbepalende boom. Eiser heeft in dat kader een document overgelegd waarop te zien is vanaf welk punt van de openbare weg de boom zichtbaar is. Eiser heeft op de zitting uitgelegd dat hieruit blijkt dat de boom volgens hem niet duidelijk zichtbaar is. Ten slotte wijst eiser op de motivering door het college en het advies van de bezwaarschriftencommissie waarin staat dat onvoldoende is gemotiveerd dat sprake zou zijn van een beeldbepalende boom.
14. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit het kapbeleid volgt dat voor een beeldbepalende functie uitgangspunt is dat de boom duidelijk zichtbaar is vanaf openbaar terrein. Echter blijkt uit dat kapbeleid ook dat het niet alleen om zichtbaarheid gaat. Zoals ook door de op de zitting aanwezige boomdeskundig adviseur is toegelicht spelen de volgende aspecten ook een belangrijke rol:
de boom is door zijn omvang, uiterlijke verschijning of aansluiting met de omgevingsarchitectuur onvervangbaar voor het karakter van de omgeving of van landschappelijk belang;
de boom is een onderdeel van een intacte bomengroep of van een uniforme laanbeplanting die een karakteristieke structuur aan de bebouwing of het landschap geeft;
de boom is direct gerelateerd aan de landschappelijke structuur;
wanneer de boom vervangen moet worden duurt het meer dan 50 jaar voordat een boom van dergelijke omvang is teruggekomen.
16. Door de op de zitting aanwezige boomdeskundig adviseur is toegelicht dat hij meermalen op locatie is geweest en heeft vastgesteld dat de boom op meerdere punten vanaf de openbare weg is te zien. Bovendien, zo blijkt dus ook uit zijn toelichting, is niet alleen de zichtbaarheid een bepalende factor. Bij de beoordeling van deze zomereik heeft ook de omvang, grootte en het feit dat het meer dan 50 jaar zou duren om de boom te vervangen meegespeeld. In dat kader wordt in de beslissing op bezwaar van 8 november 2023 verwezen naar het advies van 18 maart 2024, met daarin de beoordeling van de aanvraag door de boomdeskundig adviseur waarin wordt geadviseerd de vergunning te weigeren. De rechtbank kan deze uitleg volgen. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat geen contra expertise van een andere bomendeskundige ingebracht door eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
16. De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom de boom beeldbepalend is. In de beslissing op bezwaar van 27 maart 2024 is voldoende uiteengezet dat de boom is beoordeeld als beeldbepalend door zijn omvang en leeftijd, naast de zichtbaarheid vanaf de openbare weg. Daarbij wijst het college ook op het rapport van de beoordeling van de zomereik van 18 maart 2024. Hiermee is ook de beroepsgrond dat dit punt onvoldoende is gemotiveerd geen reden om de beslissing op bezwaar te vernietigen.
De belangenafweging door het college
18. Eiser stelt dat de door het college uitgevoerde belangenafweging niet juist is geweest en dat de belangen (toetsingscriteria) die het college heeft meegewogen onjuist zijn uitgelegd. Eiser heeft op de zitting toegelicht hinder te ervaren door de boom vanwege opdruk door de wortels, vallende dode takken, bladeren en eikels en de overmatige aanwezigheid van vogelpoep.
Conclusie
23. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen gelijk en de weigering van de omgevingsvergunning blijft in stand. Dit betekent dat eiser de zomereik niet mag kappen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr.T. Mennen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
Artikel 2.2, eerste lid sub g van de Wabo.
Artikel 4:11d van de APV Soest.
Artikel 4:11e, eerste lid, van de APV Soest.
Zie de inleiding van hoofdstuk 5 van het kapbeleid.
Zie paragraaf 4.1.2. van het kapbeleid.
Zie paragraaf 5.1. van het kapbeleid.