Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-10-24
ECLI:NL:RBMNE:2024:6317
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening
2,404 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6100
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 oktober 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist, het college
(gemachtigde: R. Verschuure).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghoudster] uit [plaats] (vergunninghoudster).
Inleiding
1. Met het besluit van 16 september 2024 heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van een esdoorn aan de [adres] in [plaats] .
2. Verzoekster woont in de directe omgeving en is het niet eens met het kappen van de esdoorn, onder andere omdat het om een oude boom gaat die haar woning beschermt tegen inkijk. Verzoekster heeft daarom bij het college bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning. Om te voorkomen dat vergunninghoudster zal starten met de kap voordat het college op haar bezwaar heeft beslist, heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
3. Vergunninghoudster heeft tijdens deze procedure toegezegd dat zij geen gebruik zal maken van de verleende kapvergunning en dat ze de boom uitsluitend zal snoeien. Vervolgens heeft vergunninghoudster bij het college een verzoek ingediend tot intrekking van de kapvergunning van 16 september 2024.
4. Met het besluit van 14 oktober 2024 is het college tegemoet gekomen aan dit verzoek en heeft hij de verleende omgevingsvergunning voor het kappen van de esdoorn ingetrokken.
5. Voor verzoekster was het intrekken van de kapvergunning geen reden om haar verzoek om een voorlopige voorziening in te trekken. Verzoekster heeft toegelicht dat zij vermoed dat de boom nu ook niet meer gesnoeid zal worden, omdat er dan geen reden meer is om de boom op een later moment alsnog te kappen.
Beoordeling
6. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. De voorzieningenrechter zal hierna uitleggen waarom zij dat vindt.
7. De voorzieningenrechter kan, indien tegen een besluit beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen. Dat staat in artikel 8:81 van de Awb.
8. Uit artikel 8:81 van de Awb volgt ook dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan een aantal eisen. Vóórdat een verzoek om een voorlopige voorziening kan worden ingediend, moet tegen een besluit bezwaar worden gemaakt bij het bestuursorgaan. Dit wordt de formele connexiteit genoemd. Aan dit vereiste is in deze zaak voldaan. Daarnaast moet echter ook voldaan zijn aan het vereiste van materiële connexiteit. Dit betekent dat wat een verzoeker met zijn verzoek wil bereiken, ook betrekking moet hebben op de inhoud van het besluit waar hij tegen opkomt.
9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek niet (meer) voldoet aan het vereiste van materiële connexiteit. Verzoekster wil met haar verzoek bereiken dat de boom niet gekapt, maar wel gesnoeid zal worden. Dat de boom niet meer gekapt zal worden staat vast, omdat het college de verleende kapvergunning heeft ingetrokken. Indien opnieuw een kapvergunning voor deze boom wordt verleend staat het verzoekster vrij bij de voorzieningenrechter een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen. Verzoekster kan met haar verzoek niet bereiken dat de boom wel gesnoeid zal worden, omdat het snoeien van de boom geen onderdeel is van de besluiten van het college in deze zaak. Het verzoek houdt in zoverre geen verband (meer) met de inhoud van de verleende besluiten.
10. De conclusie van het voorgaande is dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. mr. C.H. Verweij, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6100
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 oktober 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist, het college
(gemachtigde: R. Verschuure).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghoudster] uit [plaats] (vergunninghoudster).
Inleiding
1. Met het besluit van 16 september 2024 heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van een esdoorn aan de [adres] in [plaats] .
2. Verzoekster woont in de directe omgeving en is het niet eens met het kappen van de esdoorn, onder andere omdat het om een oude boom gaat die haar woning beschermt tegen inkijk. Verzoekster heeft daarom bij het college bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning. Om te voorkomen dat vergunninghoudster zal starten met de kap voordat het college op haar bezwaar heeft beslist, heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
3. Vergunninghoudster heeft tijdens deze procedure toegezegd dat zij geen gebruik zal maken van de verleende kapvergunning en dat ze de boom uitsluitend zal snoeien. Vervolgens heeft vergunninghoudster bij het college een verzoek ingediend tot intrekking van de kapvergunning van 16 september 2024.
4. Met het besluit van 14 oktober 2024 is het college tegemoet gekomen aan dit verzoek en heeft hij de verleende omgevingsvergunning voor het kappen van de esdoorn ingetrokken.
5. Voor verzoekster was het intrekken van de kapvergunning geen reden om haar verzoek om een voorlopige voorziening in te trekken. Verzoekster heeft toegelicht dat zij vermoed dat de boom nu ook niet meer gesnoeid zal worden, omdat er dan geen reden meer is om de boom op een later moment alsnog te kappen.
Beoordeling
6. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. De voorzieningenrechter zal hierna uitleggen waarom zij dat vindt.
7. De voorzieningenrechter kan, indien tegen een besluit beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen. Dat staat in artikel 8:81 van de Awb.
8. Uit artikel 8:81 van de Awb volgt ook dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan een aantal eisen. Vóórdat een verzoek om een voorlopige voorziening kan worden ingediend, moet tegen een besluit bezwaar worden gemaakt bij het bestuursorgaan. Dit wordt de formele connexiteit genoemd. Aan dit vereiste is in deze zaak voldaan. Daarnaast moet echter ook voldaan zijn aan het vereiste van materiële connexiteit. Dit betekent dat wat een verzoeker met zijn verzoek wil bereiken, ook betrekking moet hebben op de inhoud van het besluit waar hij tegen opkomt.
9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek niet (meer) voldoet aan het vereiste van materiële connexiteit. Verzoekster wil met haar verzoek bereiken dat de boom niet gekapt, maar wel gesnoeid zal worden. Dat de boom niet meer gekapt zal worden staat vast, omdat het college de verleende kapvergunning heeft ingetrokken. Indien opnieuw een kapvergunning voor deze boom wordt verleend staat het verzoekster vrij bij de voorzieningenrechter een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen. Verzoekster kan met haar verzoek niet bereiken dat de boom wel gesnoeid zal worden, omdat het snoeien van de boom geen onderdeel is van de besluiten van het college in deze zaak. Het verzoek houdt in zoverre geen verband (meer) met de inhoud van de verleende besluiten.
10. De conclusie van het voorgaande is dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. mr. C.H. Verweij, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.