Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-09-03
ECLI:NL:RBMNE:2024:6301
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,124 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/5734
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
Openbaar Ministerie, Parket-Generaal, verweerder.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek
Op 21 juni 2023 heeft eiser bij de politie aangifte gedaan van verduistering door Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Op 23 juni 2023 heeft de politie aangegeven de aangifte niet verder te zullen onderzoeken.
Vervolgens stuurt eiser op 25 oktober 2023 en op 6 november 2023 brieven naar verweerder omdat er niks met zijn aangifte is gedaan en hij er verder ook niks over hoort. Daarna stelt hij verweerder in gebreke op 10 november 2023.
Nadat de door eiser genoemde termijn van twee weken is verstreken, stelt eiser beroep in tegen het niet tijdig beslissen door verweerder.
Op 28 november 2023 heroverweegt verweerder vervolgens eisers verzoek om alsnog onderzoek te doen in zijn zaak tegen DUO. Verweerder wijst het verzoek af.
Eiser is het niet eens met deze afwijzing en handhaaft zijn ingestelde beroep. Verweerder heeft op eisers beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 20 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: eiser.
Beoordeling
1. Dit beroep richt zich tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek van eiser om zijn aangifte verder te onderzoeken, en mogelijk op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede op de beslissing in de brief van 28 november 2023. De rechtbank dient echter allereerst ambtshalve de vraag te beantwoorden of de bestuursrechter wel bevoegd is om kennis te nemen van een beroep in verband met het beslissen over de vraag of een aangifte verder onderzocht zal worden.
2. Uit artikel 1:6 onder a van de Awb volgt dat de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van de Awb niet van toepassing zijn op de opsporing en vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Dat betekent dat er geen bezwaar kan worden gemaakt en daarmee ook geen beroep als bedoeld in de Awb kan worden ingesteld tegen beslissingen van verweerder over het al dan niet nader onderzoeken van een aangifte.
3. De bestuursrechter is daarom niet bevoegd om van het beroepschrift van eiser kennis te nemen.
4. Ter overvloede merkt de rechtbank op dat in de brief van 28 november 2023 staat vermeld dat wanneer eiser het niet eens is met die beslissing, hij een klacht als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering kan indienen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Conclusie
De rechtbank zal zich daarom onbevoegd verklaren om van het beroep van eiser kennis te nemen. Omdat de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van het ingestelde beroep, zal het door eiser betaalde griffierecht worden teruggestort. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Pruntel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 september 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.